woensdag, februari 21, 2007

Stephen Dwoskin (2)

Pain is… (1997; 80 min.) ****


Experimenteel filmmakers Stephen Dwoskin zei al in 1981 nog voor de doorbraak van video dat zijn films meer geschikt zijn om thuis alleen te bekijken dan in een bioscoop, omdat hij mensen afzonderlijk aanspreekt. Daar heeft hij ook gelijk in, want hij maakt hoogst persoonlijke films, films waarmee je alleen wilt zijn. In deze film onderzoekt Dwoskin het fenomeen pijn en wat pijn is. Hij toont het in zijn vele verschijningsvormen, zowel fysiek als mentaal en doet dat middels interviews met mensen en toont eveneens letterlijk fysieke pijn. De film is echter nergens sensationeel of uitbuitend bedoeld, want net als Dwoskin zijn toeschouwers rechtstreeks aan lijkt te spreken, zo lijkt hij ook te voelen voor de mensen die hij voor zijn camera krijgt. Als een man verhaalt over de grote pijn die een geliefde van hem voelt en zegt dat hij die pijn het liefst wil overnemen en daarbij in tranen uitbarst, dan toont Dwoskin dit niet om het verdriet en de pijn van de man commercieel uit te buiten. Dwoskin voelt oprecht voor de man en ‘gebruikt’ hem enkel om een portret te maken van het gevoel dat iedereen van ons kent, dat iedereen meemaakt en dat in zoveel verschillende gedaantes kan opduiken. Dwoskin bestudeert altijd mensen en hier schetst hij als een soort socioloog een indrukwekkend en eerlijk portret van pijn, waarmee hij en passant ook nog eens de flinterdunne grens tussen documentaire en fictiefilm verbrijzelt: een documentaire moet immers altijd een onderwerp hebben nietwaar en kan iets ongrijpbaars als pijn nog een onderwerp zijn? Het is immers iets wat in de mens zit vastgebakken, wat niet losgemaakt kan worden. Het is ook altijd iets persoonlijks. En Dwoskin slaagt er glorieus in om het ook persoonlijk te laten en het toch te tonen in deze hoogst bijzondere en vaak aangrijpende film die simpele categorisatie ontwijkt.

Intoxicated by my illness (2001; 40 min.) **1/2

Een hoogst persoonlijke film van Dwoskin waarin hij min of meer de aandacht op zichzelf vestigt. Het enige wat je namelijk te zien krijgt zijn overlappende beelden van hemzelf die in een ziekenhuisbed ligt, mensen die hem bezoeken, beelden uit het ziekenhuis en wat andere zaken, vermoedelijk zaken waar hij van houdt. Van deze beelden heeft hij een soort collage gemaakt met begeleidende muziek daaronder. Het resultaat liet me met gemengde gevoelens achter: er waren momenten van oprechte emotie bij me, maar ook vaak vond ik het een beetje het midden houden tussen zelfverheerlijking of zelfmedelijden. Nu weet ik wel dankzij zijn andere werk dat dit niet de bedoeling geweest is van Dwoskin en dat hij een soort van universeel portret van ziekte wilde schetsen, maar hij slaagde daar voor mij niet zo in.

Labels: ,

zaterdag, februari 25, 2006

Stephen Dwoskin

Stephen Dwoskin was op het afgelopen Filmfestival Rotterdam filmmaker in focus, maar ironisch genoeg heb ik toen geen film van hem gezien. Daarom maar nu op DVD.

Take Me (1969; 28 min.). De film is geschoten in groezelig zwart-wit en we zien een vrouw voor een camera zo eens het beeld in en uitlopen. Toen vreesde ik even: oh nee, we gaan toch niet een half uur naar een wandelende griet kijken. Maar heel langzaam, maar heel zeker begon deze film me ontzettend te grijpen, waarbij de invloed van ‘Anamnesis’ van onze eigen Frans Zwartjes heel duidelijk aanwezig is. Na een poos gaan de kleertjes uit en zien we steeds meer verf op het lichaam verschijnen, iets wat duidelijk afkomstig is uit de happenings van deze tijd. Dwoskin wordt vaak vergeleken met een entomoloog en dat is vrij logisch, want waar een entomoloog insecten onder de loep neemt, daar doet Dwoskin hetzelfde met het menselijk lichaam. De camera zit dicht op de huid van de vrouw en examineert ieder plekje van haar lichaam. Hoewel dit soort films ontzettend gemakkelijk abstract worden (zet een camera maar zo dicht mogelijk op iemand lichaam en je hebt geen idee meer op welk gedeelte van het lichaam je je bevindt), maar Dwoskin weet dit te voorkomen; natuurlijk zitten er redelijk wat abstracte shots in, maar het leeuwendeel van de film zie je duidelijk bij welk deel van het lichaam we zitten. Het is dan ook een fascinerende dissectie van het menselijk lichaam. De soundtrack is perfect, van de hand van Ron Geesin (die mensen kunnen kennen van zijn samenwerking met Pink Floyd op ‘Atom Heart Mother’): een zacht neuriënde vrouw met dissonante feedback eronder, wat het geheel de juiste dromerige kwaliteit geeft. Experimenteel ongezinde mensen zullen denken: wat ligt dat wijf daar raar te kronkelen op de vloer met wat verf op haar lijf. Mensen die avant-garde film een warm hart toedragen zullen onherroepelijk door deze film gegrepen worden. Deze film gaat een bespottelijk directe relatie met de kijker aan, een relatie die louter in avant-garde cinema zo direct kan worden. Het is enkel een vrouw, een camera en de kijker die als voyeur deelgenoot wordt aan dit spectaculaire schouwspel.

Dirty (1971; 12 min.). Twee vrouwen drinken eerst wat uit een champagnefles en beginnen vervolgens wat met elkaar te vrijen. Het geheel is gefilmd in zwaar gemanipuleerde grijstonen en speelt heftig met slowmotions en freezeframes. Een shot leek mij een directe ode aan het befaamde shot van het begin van ‘Hiroshima mon Amour’, hier mooi gebruikt. De muziek van de befaamde componist Gavin Bryars bestaat geheel uit laag, rommelend, onweersachtig gedreun. Net voor het moment dat het pornografisch dreigt te worden als de camera praktisch op de venusheuvel staat en de hand van de ene vrouw er overheen wrijft, vindt Dwoskin het welletjes geweest en eindigt de film. Zeer intrigerend.

Girl (1975; 28 min.). Een statisch shot van een naakte vrouw die op een rood tapijt wat ongewennig met haar voetjes staat te schuifelen. En dat 28 minuten lang (oké, er zijn twee zooms). Ik ben bereid om overal wat in te zien, maar ik heb geen idee wat hier nu de bedoeling van was.

Dad (2003; 14 min.). Deze film is niet zozeer een ode aan Dwoskin’s eigen vader (hoewel de film wel aan hem is opgedragen), maar veeleer een ode aan het idee van vaderschap in zijn algemeenheid. Ook hier weer een extreem spel met close-ups, freezeframes en slowmotion, resulterend in een zeer ontroerend, bijna elegisch, werkstukje. De muziek (geen idee van wie) was werkelijk prachtig en paste perfect bij het geheel. Een sterk staaltje emotioneel betrokken avant-garde cinema. Ik moest bijna een traantje wegpinken in ieder geval.

Grandpère’pear (2003; 5 min.). Geen idee wat dit zeggen wilde, maar het was in ieder geval leuk gefilmd weer, met mooie muziek.

Dear Frances (im memoriam) (2003; 18 min.). Zoals de titel al aangeeft is dit een memoriaal voor een zekere Frances in een soort van visuele dagboekvorm. Mooi.

Labels: ,