dinsdag, september 25, 2012

Lisa and the Devil (Mario Bava, 1973) *****


Het is zo frusterend dat een recensie als deze zo gematigd negatief is over een absoluut fantastische blu-ray release als 'Lisa and the Devil', omdat helaas zoveel mensen het van dat soort recensies laten afhangen of ze een blu-ray kopen of niet. Als je zo enkel naar de screenshots kijkt en het onnozel geneuzel van die Gary Tooze leest, kan je zomaar de indruk krijgen dat de blu-ray niet veel soeps is en aangezien zo veel mensen het toch al vervelend vinden om al hun DVD's te upgraden kan zoiets al zeer snel reden genoeg zijn om niet verder te kijken. Maar als je gewend bent aan de DVD's dan is het echt een verschil van dag en nacht en het zijn verschillen die lang niet altijd af te lezen zijn van screenshots. Wat ik vaak zo vreemd vind is hoe weinig mensen een soort esthetisch ijkpunt in zich lijken te hebben, waardoor je automatisch aanvoelt of je met een goede blu-ray transfer te maken hebt of niet. Het is waarschijnlijk daarom dat mensen zich blind staren op 'scherpte', alsof dat echt het enige of zelfs maar het belangrijkste is van een blu-ray en ze niet begrijpen dat een verder vrij ongrijpbaar begrip als 'textuur' veel crucialer is.

En als het gaat om textuur en sfeer is de blu-ray van 'Lisa' een geschenk uit de hemel, terwijl de DVD in ieder opzicht fors tekort schiet. De DVD is als seks met een opblaaspop in een parkeergarage: het is best prettig om je warme zaad over dat plastic te spuiten, maar diep van binnen besef je dondersgoed dat het ook een ietwat kille en onpersoonlijke bedoeling is en absoluut geen vervanging van de vreselijk sensuele ervaring om ieder plekje van iemands lichaam te ontdekken in een fijne omgeving. Dat is het verschil tussen de DVD en blu-ray van 'Lisa and the Devil'. Het zou daarom eens tijd worden dat blu-ray recensenten zich niet zo blind staren op de relatief onbelangrijke techische aspecten, maar de nadruk beginnen te leggen op het verschil in de esthetische ervaring - maar daar beginnen de problemen natuurlijk al voor een esthetische idioot als Gary Tooze. Zelfs op de DVD besef je dat 'Lisa' een hypnotiserende en dromerige ervaring moet zijn en dat is het deels zeker ook, maar dan wel een droom waarbij je constant in je zij geprikt wordt en half op het punt van ontwaken staat. De adembenemende kleuren (laat je niets wijsmaken door die Tooze met zijn 'wonky' kleuren), de directheid van het beeld en het feit dat het nu ineens als film aanvoelt in plaats van het platte, digitale DVD beeld, zorgt ervoor dat de blu-ray nu wel de volledige immersieve ervaring is die Bava ooit bedoeld had. Het verschil kun je nog het meest zien in de donkere sequenties (die er nogal veel zijn in de film) en de soft focus momenten (ook veeltallig), dit zijn momenten die DVD zelden tot nooit goed aankan vanwege de resolutie, waardoor iets dat ooit sensueel en fijnzinnig was ineens noodgedwongen ruw en onbehouwen aanvoelt. Als Elke op het einde van de film dan wakker wordt in die halve jungle van het huis, voel het op de blu-ray nu eindelijk alsof je zojuist ontwaakt bent uit ieen waanzinnig ets wat deels sensuele droom en deels afschuwelijke nachtmerrie is. Op de DVD is die scene uiteraard ook aanwezig en kun je ook begrijpen dat Bava dit effect wil bereiken, maar kun je het niet voelen, omdat de noodzakelijke informatie daarvoor simpelweg niet op de DVD staat. Het is het verschil tussen intellectueel begrijpen en esthetisch voelen en dat lijkt me nu niet bepaald een onbelangrijk verschil.

Labels:

zondag, september 23, 2012

A Woman under the Influence (John Cassavetes, 1974) *****


 
Inleiding

In de briljante komedie ‘Withnail and I’ vraagt Uncle Monty aan I of hij bereid is tot een homoseksuele ervaring met de vraag: ‘are you a stone or a sponge’? Nu zit deze film vol met wijsheden, maar deze springt er toch wel een beetje uit, aangezien hier met een simpele vraag de gehele wereldbevolking getypeerd wordt. Want het is niet overdreven om te stellen dat je alle mensen op aarde in twee groepen kunt indelen, stenen en sponzen. Een steen is een persoon die zich afsluit van de wereld en nieuwe ervaringen of invloeden zo veel mogelijk buiten de deur houdt. Stenen geven zich emotioneel niet of nauwelijks bloot en alles wat dreigt zijn standpunt te beïnvloeden (waardoor hij of zij als persoon verandert) ketst af op het emotionele pantser waarmee de steen zich beschermt. Het voordeel hiervan is dat de steen niet gemakkelijk gekwetst kan worden en deze grotendeels zelf bepaalt wat zijn wereld binnenkomt en wat niet, wat hem een gevoel van controle en zekerheid geeft. Het nadeel is dat er naast de negatieve invloeden van buitenaf die buiten de deur gehouden worden, ook veel positieve invloeden geweerd worden, waardoor de steen altijd vast zal blijven zitten in een kleine, beperkte wereld. Ook in de relaties met andere mensen raakt de steen weliswaar minder snel gekwetst, maar zal deze ook minder warmte en liefde uit menselijk contact halen. Aan de andere kant van het spectrum staat de spons en de spons is een figuur die juist alles om hem heen opzuigt en alle invloeden (zowel positief als negatief) tot zich neemt, waardoor deze persoon constant aan verandering onderhevig is. In tegenstelling tot de steen, bij wie emoties diep verscholen liggen achter een emotioneel pantser, liggen de emoties bij de steen extreem dicht bij de oppervlakte, zodat deze sneller geraakt is – zowel positief als negatief. Het nadeel van een spons is dat deze sneller emotioneel geraakt kan worden omdat zijn emoties open en bloot liggen. Het voordeel echter is dat de spons, in tegenstelling tot de steen, het onderste uit de kan van het leven kan halen en emoties tot in het diepst van zijn teen kan beleven. Omdat de spons zo open staat voor invloeden van buitenaf, is deze ook in staat om een synthese te worden van de rijkdom en variëteit van het leven, dit in tegenstelling tot de steen die deze rijkdom en variëteit afstoot met zijn pantser. In het contact met andere mensen is de spons meer dan de steen in staat om echt in contact te treden met deze mensen waardoor er ook in relaties het volledige potentieel benut wordt.

Het is een andere manier om hetzelfde te zeggen wat ik in mijn analyse van Nine½ Weeks heb proberen duidelijk te maken, dus ik zou iedereen daarheen willen verwijzen voor meer informatie. In dat stuk heb ik ook de relatie proberen duidelijk te maken tussen deze levensvisie en het gebruik van LSD en de daaruit voortvloeiende aspecten van openheid op het gebied van zintuiglijke waarneming en nieuwe ervaringen. Een cruciaal aspect van de LSD ervaring wat ik daarin niet behandeld heb is de rol die het ego speelt in het dagelijkse leven, iets waar ik nu uitgebreid op in zal gaan. Omdat ik verder niet psychologisch onderlegd ben, kan het zijn dat mijn terminologie ietwat aan de vreemde kant is en zal het ongetwijfeld zo zijn dat ik sommige zaken wat simplistisch weergeef, maar dat moet dan maar. Ik zal gedurende dit gehele stuk regelmatig de parallel trekken met mijn eigen karakter en visie op het leven en dat is echt niet alleen omdat ik mezelf zo graag hoor praten. Nu ben ik de eerste om toe te geven dat er een zekere mate van emotioneel exhibitionisme in me schuilt, maar dat lijkt me essentieel voor iedere vorm van creatie en goede filmkritiek valt wel degelijk in die categorie. Laatst zei iemand tegen me dat een bepaalde interpretatie van een film ‘persoonlijk’ was, waarmee hij vrij duidelijk die interpretatie wilde ondergraven en suggereren dat een persoonlijke interpretatie een probleem vormt. Maar hoe kan een interpretatie iets anders zijn dan volstrekt persoonlijk? Dat wil niet zeggen dat goede filmkritiek louter persoonlijk moet zijn, want analytische vaardigheden en een gevoel voor bijvoorbeeld filmgeschiedenis hebben een zekere objectiviteit in zich. Maar tegelijkertijd kan die objectiviteit enkel iets concreet betekenen als ze door de volledige subjectiviteit van de filmcriticus gefilterd worden, anders blijven het objectieve bevindingen zonder enige waarde. Het is daarom absoluut essentieel dat de filmcriticus zichzelf emotioneel volledig blootgeeft, om op die manier een concrete interpretatie van een film te kunnen geven die hopelijk als springplank kan dienen voor de interpretatie van anderen.

Om even terug te keren naar de rol van het ego: om het simpel te zeggen denken de meeste mensen dat ze hun ego zijn, terwijl het in werkelijkheid slechts een deel van de persoonlijkheid is en de kern van iedere persoon gevormd wordt door wat vaak omschreven wordt als het absolute. Het ego wordt meestal getypeerd als een ‘trickster’, omdat het graag behaagd wil worden en de mens wil doen geloven dat hij het enige is wat er toe doet en daarmee iedere mens feitelijk voor de gek houdt omdat hij daarmee zijn absolute zelf niet kan zien. Dat wil niet zeggen dat het ego een overbodig mechanisme is, het is zelfs onmisbaar omdat het de grens vormt tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn. Stel, je hebt een groot probleem waar je op dat moment niet mee om kunt gaan. Het ego maakt het mogelijk om dat probleem van je bewuste in het onderbewuste te stoppen, omdat het ego dusdanig geprogrammeerd is dat het alles wat het als een aanval op 'jou’ beschouwt probeert weg te nemen. Het probleem lijkt hiermee weg te zijn, maar dat is natuurlijk enkel een illusie omdat je het enkel verplaatst hebt van je bewuste naar je onderbewuste. Deze methode kan een lange tijd goed gaan, maar uiteindelijk zal het probleem toch verwerkt moeten worden, want alle onverwerkte problemen die zich ophopen in je onderbewuste kunnen zich als neuroses gaan manifesteren totdat je uiteindelijk zoveel problemen hebt weggestopt dat het je ineens teveel wordt – je raakt overspannen of krijgt een burn-out. Vergelijk het met de wijze waarop je een huis bijhoudt: je kunt alle rommel constant laten liggen en dat kan een periode goed gaan. Het risico is echter dat je op een gegeven moment kunt gaan struikelen over alle rommel die er ligt, ziek wordt van bacteriën of  ineens jezelf geconfronteerd ziet met zoveel rommel dat je niet meer weet waar je beginnen moet met opruimen en je overweldigd wordt door een gevoel van wanhoop. Dat is dus het punt waarop je naar een psycholoog en psychiater gaat, die feitelijk niets anders doet dan proberen te achterhalen wat de problemen zijn die je hebt weggestopt in je onderbewuste om ze weer bewust te maken zodat je er aan kunt werken en weer een schoon huis krijgt. Dat is echter een nogal kostbare route want het liggen op zo’n bank schijnt veel geld te kosten en je kunt sowieso alle problemen voorkomen door je huis altijd opgeruimd te houden en problemen niet weg te laten stoppen, maar direct proberen op te lossen.

Het is dus een kwestie van hoe je met het ego om gaat. ‘The ego is a great servant, but a lousy master’, zoals het in verlichte kringen wel eens genoemd is. Of met andere woorden: ben je een slaaf van je eigen ego of draai je het geheel om en maak je jouw ego de slaaf van je absolute? Om dit te kunnen bereiken is het dus noodzakelijk om jezelf bewust te worden van je eigen ego en dat is waar bijvoorbeeld LSD zo’n goed hulpmiddel bij kan zijn. De voordelen lijken me evident: als je een bewuste relatie hebt met je ego in plaats van een onbewuste, ben je in staat om het bewuste gedeelte van je ziel zo groot mogelijk te maken ten koste van je onderbewuste, zodat je niet alleen meer bewustzijn hebt in het dagelijkse leven (en dus meer ervaart) maar er ook minder ruimte over is in het onderbewuste waar problemen verstopt kunnen worden. Daarnaast ben je letterlijk zelf in controle over je ego in plaats van dat jij gecontroleerd wordt door jouw ego zonder dat je dit bovendien in de gaten hebt. Stel bijvoorbeeld dat ik kritiek uit op jou in een discussie, dan is de eerste en enige reactie van het ego om zichzelf volledig af te sluiten voor deze kritiek omdat het dit ziet als een aanval op jou. Maar hiermee wordt dus niet alleen negatieve kritiek buiten de deur gehouden, maar ook positieve, want wellicht is de kritiek die ik op jou uit wellicht niet leuk om te horen, maar uiteindelijk wel goed voor je. Mensen die zich volledig laten leiden door hun ego, zijn echter niet in staat om dit te kunnen beoordelen, omdat het ego letterlijk alles buiten de deur houdt. Jezelf laten leiden door je ego is dus iets heel anders dan ‘egoïstisch’ zijn, hoewel het uiteraard wel verbonden is. Maar in werkelijkheid wordt praktisch iedereen geleid door zijn ego, terwijl slechts een fractie van deze groep ook echt als ‘egoïstisch’ bestempeld kan worden. 

Wat doet LSD nu precies? Feitelijk niets meer en minder dan het tijdelijk laten oplossen van het ego, zodat mensen voor het eerst sinds hun vroege kinderjaren weer egoloos door het leven gaan. Hier vloeit alle het andere wat ik beschreven heb in relatie tot LSD uit voort, omdat de zintuiglijke waarneming nu niet meer wordt gehinderd door het ego en de deuren van de perceptie volledig opgezet worden en mensen nu ook emotioneel open zijn, zonder het schild van het ego. Tijdens een LSD trip is iemand dus zo ongeveer als een schildpad zonder schild, met alle positieve en negatieve gevolgen van dien. Het is precies om deze reden dat er zo gehamerd wordt op set en setting tijdens de LSD trip: als de persoon in een negatieve omgeving is (setting), mist hij of zij zijn natuurlijke egoschild en is hij of zij niet in staat om de negatieve invloeden af te weten. Daarnaast is de mentale toestand (set) op het moment van nemen zo belangrijk, omdat alle emotionele problemen die er mogelijk weggestopt zijn in het onderbewuste nu als een champagnekurk vrij kunnen komen zonder dat de persoon zijn natuurlijke afweer kent, iets wat mogelijk een zeer angstige ervaring kan opleveren en omschreven wordt als een ‘slechte trip’. Maar het is belangrijk om te beseffen dat zelfs een negatieve trip uiteindelijk enkel leerzaam is, omdat het emoties of gevoelens zijn die uiteindelijk toch op een zeker moment opgelost hadden moeten worden. Dus in plaats van een wandelende emotionele tijdbom waarbij alle problemen worden op ongezonde wijze worden opgekropt tot het moment dat de bom barst is een goede LSD gebruiker (psychonaut) in staat om een meer eerlijke en transparante relatie met zichzelf en zijn ego te hebben, waarmee hij feitelijk dus zijn eigen psychiater wordt. En als de psychonaut enigszins weet waar hij mee bezig is, is hij ook in staat om deze transparantie naar zijn dagelijkse leven door te trekken, zodat hij zelf in staat is om te bepalen wat zijn emotionele leven binnen komt, in plaats dat het voor hem bepaald wordt door zijn ego. De psychonaut is dus de ultieme spons.

Het klinkt wellicht allemaal wat zweverig, dus laten we het even concretiseren met een van de bekendste LSD films van de afgelopen jaren, ‘The Matrix’. In het begin van die film krijgt Neo van Morpheus de keuze tussen een rode of blauwe pil, waarbij de ene hem terugbrengt naar zijn oude leven en hij zich niets kan herinneren en de andere pil hem op het pad van zelfverlichting zet. Dit is dus niets meer en minder de keuze tussen neem je LSD of niet? Wil je de slaaf blijven van je eigen ego of wil je in staat zijn om langs je ego heen te kijken en voor de eerste keer in je leven echt jezelf te zien? Het moge nu duidelijk zijn dat het hele concept van de Matrix zelf rechtstreeks verwijst naar het ego, omdat mensen die in de Matrix leven zich niet bewust zijn dat ze door die Matrix gestuurd worden en feitelijk in een illusie leven – de illusie van hun eigen ego. Als je eenmaal buiten de Matrix gestapt bent, zie je heel duidelijk dat je altijd in een illusie geleefd hebt en kun je een bewuste relatie met jezelf en de plaats in de wereld aangaan, een die gebaseerd is op echte zelfkennis in plaats van onwetende zelfdeceptie. De film gaat er natuurlijk over dat de rebellen proberen om de rest van de wereld duidelijk te maken dat hun hele leven gebaseerd is op zelfdeceptie, iets wat uiteraard niet bepaald zonder slag of stoot gaat, aangezien mensen altijd zullen vechten voor datgene wat ze kennen – zo krijgt Neo te horen van Morpheus. Een van de meest perverse aspecten van de film is dat de kijkers van de film zichzelf sterk zullen identificeren met Neo en de rebellen omdat deze door de film als de helden worden gepresenteerd en zullen neerkijken op die zielige onwetende mensen binnen de Matrix, daarbij niet beseffende dat 99% van alle kijkers zelf tot die sneue mensen binnen de Matrix behoren. Dit lijkt me een iets radicaler aspect van de film dan de vernieuwingen in special effects waar ‘The Matrix’ altijd zo om geprezen wordt. Het is overigens zeker niet zo dat het leven gemakkelijker wordt als je eenmaal buiten de Matrix gestapt bent en het wordt zelfs enkel moeilijker omdat het nu eenmaal veel gemakkelijker is om onbewust in een illusie te blijven leven – dat gaat vanzelf. En voor sommigen is de aantrekkingskracht van de illusie zo groot dat ze er bewust voor kiezen om terug te keren naar de illusie, zoals bijvoorbeeld Cypher doet omdat de meeste mensen van nature lui zijn en liever zichzelf voor de gek laten houden. Daarnaast zullen de mensen binnen de Matrix niet alleen vechten om hun eigen illusie te behouden, ze zullen ook wanhopig proberen om de mensen die hun illusie proberen te doorbreken te vernietigen en weer binnen de Matrix te slepen. Entree Hugo Weaving met de veelzeggende en nietszeggende naam Agent Smith, die symbool staat voor de maatschappelijke indoctrinatie van de samenleving als geheel die alles wat buiten de maatschappelijke norm valt probeert te vernietigen. De maatschappij accepteert het niet als iemand buiten de pas loopt omdat dit mensen angst aanjaagt en omdat de hegemonie van deze maatschappij bedreigt lijkt te worden door de dissidenten. Alles wat boven het maaiveld uitsteekt, wordt door de normatieve tendens van de maatschappij zonder pardoes afgehakt, iets wat ik omschreef als ‘maatschappelijke indoctrinatie’ in mijn essay over ‘Nine ½ Weeks’.

Om dit concept duidelijk te maken zullen we dicht bij huis blijven en de wijze waarop onze maatschappij met drugs om gaat onder de loep nemen, om de vrij eenvoudige reden dat hiermee duidelijk gemaakt kan worden dat deze samenleving volledig gebaseerd is op angst en zelfdeceptie. Ik heb in de afgelopen vijf jaar behoorlijk wat discussies proberen te voeren met mensen over drugs, maar kwam iedere keer tot de pijnlijke discussie dat mensen feitelijk totaal niet weten wat drugs nu precies zijn en er een volstrekt onbewuste relatie mee hebben. Zo is er op een grote website voor homo’s een mogelijkheid om op een profiel bij persoonlijke kenmerken antwoord te geven op drie categorieën: roken, alcohol en drugs. Het zal bij weinig mensen vermoedelijk leiden tot een opgetrokken wenkbrauw omdat deze indeling helaas door de hele samenleving algemeen geaccepteerd is. Als ik mensen dan probeer duidelijk te maken dat dit onderscheid onnozel is, omdat tabak en alcohol net zo goed drugs zijn als ‘drugs’ (de onduidelijkheid en algemeenheid van die term signaleert al dat het gebaseerd is op bedrog) en dat bovendien producten als suiker en koffie ook tot de categorie drugs horen, dan is de reactie die mensen dan standaard geven ‘ja, maar dat is anders’. En als ik dan vraag wat er anders aan is, krijg ik vaag gemompel en moeten ze me een antwoord schuldig blijven. Of zoals ik herhaaldelijk heb meegemaakt dat mensen zonder ook maar een lachspier te verrekken trots zeggen dat ze ‘tegen zijn op drugs’ en dat met een sigaret in de ene en een biertje in de andere hand! Dat dit zo ongeveer hetzelfde is als zeehondjes doodknuppelen en onderwijl roepen ‘maar ik ben lid van Greenpeace!’ dringt tot die mensen nooit door.

Mensen bedoelen met het ‘anders zijn’ van tabak en alcohol vermoedelijk dat dit legaal en sociaal geaccepteerd is en daarom beter dan illegale en niet-sociaal geaccepteerde andere drugs. Of om het anders te zeggen: iets wat door de maatschappij geaccepteerd is als norm is per definitie beter dan iets wat die goedkeuring niet heeft ontvangen. Voor veel mensen zal dit wellicht plausibel klinken, totdat je jezelf gaat afvragen wat de redenen zijn dat tabak en alcohol wel door de maatschappij zijn geaccepteerd en iets als LSD niet. Je zou met het oog op de gezondheidszorg dan verwachten dat dit komt doordat het ene beter voor je is dan het andere, maar daar beginnen de problemen zich natuurlijk al op te hopen. Ieder wetenschappelijk onderzoek wijst namelijk uit dat alcohol en tabak na heroïne en cocaïne de meest verslavende en problematische drugs ter wereld zijn, terwijl LSD altijd volledig onderaan diezelfde lijst bungelt. Roken is daarnaast niet alleen slecht voor de persoon die het doet, het is ook de enige drug ter wereld waarmee je rechtstreeks schade berokkent aan de mensen om je heen. Dus als iemand naast me een sigaret opsteekt, kan die figuur net zo goed me recht in het gelaat spugen en zeggen ‘jouw gezondheid interesseert me geen bal, het gaat alleen om mijn plezier’. Maar als je dit zegt tegen mensen, wordt je aangekeken alsof ze water zien branden, ondanks het gebaseerd is op feiten die niet ontkend kunnen worden.

Waar het dus op neer komt is dat het grootste gedeelte van alle mensen op deze wereld geen flauw benul heeft hoe de vork nu precies in de steel steekt als het gaat om drugs, wat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk is omdat het overgrote gedeelte van de bevolking drugs neemt. Je stuurt mensen toch ook niet de snelweg op zonder rijbewijs? Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om vrijwel alle drugs in twee categorieën in te delen: narcotische (geestvernauwende) of psychedelische (geestverruimende) substanties. Zoals de wereld nu in elkaar steekt worden alle drugs op een hoop gegooid zonder enig onderscheid daarin, maar dat is zo ongeveer hetzelfde als zeggen dat alle vetten slecht voor je zijn en geen onderscheid maken tussen verzadigde of onverzadigde vetten. Maar wat betekent het nu, dit onderscheid? Stel je hebt liefdesverdriet en de pijn is zo erg dat het praktisch ondraaglijk is. Je kunt dan stevig alcohol gaan drinken om de pijn te verzachten, iets wat warempel nog werkt ook: de narcotische werking van alcohol zorgt ervoor dat je weinig anders meer meekrijgt dan de alcohol roes zodat je problemen tijdelijk weggedrukt kunnen worden. Tot de volgende morgen natuurlijk, want dan komen de problemen weer net zo hard terug, nu in gezelschap van een flinke kater zodat de verleiding groot is om weer hetzelfde patroon te volgen, ad infinitum. Het is natuurlijk geen oplossing, want er zal een punt moeten komen waarop je de consequenties wel degelijk onder ogen ziet en de problemen moet zien te verwerken, maar het kan prima werken als tijdelijke oplossing – lang leve het ego! Als je in precies dezelfde situatie echter LSD neemt, dan zijn de gevolgen radicaal anders: je bent juist niet in staat om jezelf te verschuilen achter je ego en als je dus LSD neemt terwijl je liefdesverdriet hebt, komen alle problemen genadeloos op je af zonder dat je aan zelfdeceptie kunt doen. De geestvernauwende drug alcohol stelt je in staat om van jezelf weg te rennen en jezelf te verliezen in een narcotische roes, terwijl het geestverruimende LSD je enkel met jezelf confronteert in een volledig transparante situatie. Alcohol en LSD zijn dus niet enkel verschillend in werking, ze zijn zelfs volledig tegenover gesteld aan elkaar omdat ze allebei een compleet andere richting uit gaan, uitwaarts en inwaarts. En toch wordt dit verschil niet erkend door mensen en verkiest deze maatschappij ervoor om de feiten volledig te ontkennen.

Daarnaast kan alcohol zeer verslavend werken en is het schadelijk voor allerlei organen, om nog maar te zwijgen van de problemen voor de werking van de hersenen, allemaal aspecten die allang wetenschappelijk bewezen zijn. Van LSD daarentegen is er na al die jaren nog altijd geen enkel wetenschappelijk bewijs voor de mogelijke schadelijke gevolgen: het is sowieso niet verslavend, er kan nooit een overdosis van genomen worden en binnen een uur of twee is de stof volledig uit je lichaam verdwenen, zodat er geen enkele schadelijke reststoffen achter blijven. Het is dus niet alleen niet schadelijk voor lichaam en geest, het kan bovendien allerlei zeer positieve uitwerkingen hebben, zoals ik inmiddels tot in detail beschreven heb – dit in schril contrast met alcohol waarvan de meest positieve eigenschap is dat je tijdelijk even niet bewust bent van de wereld waarin je leeft. Dit zijn de feiten: aan de ene kant heb je een drug die bewezen schadelijk en verslavend is, zonder enig echt positief effect, terwijl je aan de andere kant iets hebt wat niet alleen niet schadelijk is, maar waar mogelijk de meest positieve effecten aan vast zitten en ook al zijn mensen nog niet overtuigd van die positieve effecten, het heeft duidelijk veel meer potentie dan alcohol (om nog maar te zwijgen van de enorme mogelijkheden die het voor de psychologie zou opleveren). Iedere vorm van logica zou dan zeggen dat LSD legaal is en alcohol niet, maar het is natuurlijk precies andersom. En de simpele reden waarom alcohol en tabak wel legaal zijn, zijn absoluut niet omdat het allemaal zo gezond is, maar omdat het gewoon het meeste geld oplevert voor de overheid. De keuze is dus niet gemaakt met het oog op het welzijn van de maatschappij, maar puur vanuit hebzucht en financiële overwegingen. En toch blijven mensen denken dat alcohol en tabak minder problematisch zijn omdat ze legaal zijn en andere drugs niet en lijkt niemand te beseffen dat als ze LSD van jongs af aan met de paplepel ingegoten hadden gekregen in plaats van alcohol en tabak, ze LSD volstrekt normaal hadden gevonden en juist alcohol en tabak met argusogen hadden bekeken. Het is dus niets meer en minder dan massale zelfdeceptie en maatschappelijke indoctrinatie, waarbij zelfs de meest intelligente mensen zelden in staat zijn om zich los te maken van die maatschappelijke hersenspoeling om het te vervangen door zelfbewustzijn. De illusie van de Matrix is te sterk. En ik wil benadrukken dat ik echt niet een Peter R. De Vries-achtige anti-roker of anti-drinker ben. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik roken niet vreselijk smerig vind, maar ik laat mensen in principe vrij om te doen wat ze willen. Waar ik problemen mee heb is dat mensen alcohol en tabak normaal vinden en andere drugs abnormaal, niet vanwege een inherente kwaliteit van alcohol of tabak, maar omdat ze niet beter weten. Door een zo sterke afkeer te ontwikkelen van ‘drugs’ zijn mensen in staat om zich er voor af te sluiten: als ze moeten toegeven dat alcohol en tabak net zo goed een drug zijn als LSD of GHB, worden hun zelfopgelegde grenzen verbrijzeld en moeten ze de complexiteit van de wereld erkennen en dat is voor de meeste mensen onmogelijk. Door drugsgebruikers te definiëren als een soort onduidelijk ‘zij’, in tegenstelling tot ‘ik’, kunnen mensen het voor zichzelf goedpraten dat ze wel drugs gebruiken zonder in hun ogen ‘drugs’ te gebruiken – ze verschuilen zich letterlijk achter hun ego middels zelfdeceptie. Het is een keuze gebaseerd op angst en onwetendheid en daarbij veroordelen ze datgene wat ze niet (willen) begrijpen. Zoals beschreven in de Hallucinogen song ‘LSD’:

I believe with the advent of acid we discovered new way to think and it had to

do with piecing together new thoughts of mind. Why is it that people think it's
so evil? What is it about it that there is scares people so deeply? Because they
are afraid that there is more to reality than they have ever confronted. That
there are doors that they're afraid to go in and they don't want us to go in
there either because if we go in, there we might learn something that they
don't know. And that makes us a little out of their control.
 

Om helemaal eerlijk te zijn, wil ik nu echt niet claimen dat LSD zonder problemen is, want we hebben het uiteindelijk wel over de meest krachtige drug ter wereld. Het zou goed kunnen zijn dat de massa nooit in staat zal zijn om met LSD om te gaan, iets waar de jaren ’60 wel op lijken te wijzen. En het zou misschien zelfs zo kunnen zijn dat de meeste mensen nooit in staat zijn om zichzelf los te maken van de Matrix omdat ze daarvoor simpelweg de mentale capaciteit missen. Ik ben absoluut geen CDA stemmer, maar ik vrees dat die partij toch echt gelijk heeft als ze zeggen dat de verhuftering van de wereld rechtstreeks verbonden is aan het afbrokkelen van georganiseerde religie zodat we tot de treurige conclusie moeten komen dat de massa altijd religie (of een vervanging) nodig heeft om te kunnen functioneren – de massa zal nooit in staat zijn om buiten de Matrix echt voor zichzelf te denken en heeft een duidelijke leidraad nodig die hen precies vertelt hoe ze hun leven moeten organiseren. Het is een treurige, maar vermoedelijk ook realistische conclusie. Dat wil echter niet zeggen dat alles wat ik zojuist gezegd heb hiermee direct het raam uit kan, want dat is de baby met het badwater weggooien. Ik ben er namelijk heilig van overtuigd dat er wel degelijk sprake is van een soort piramidewerking, waarbij datgene wat bovenaan plaatsvindt, uiteindelijk langzaamaan naar onder doorsijpelt – wat Carl Jung omschreven heeft als het collectieve onderbewustzijn. De onderkant van de piramide kan zichzelf dan wel nooit veranderen, als we de bovenkant kunnen veranderen, vindt er uiteindelijk ook onderin een verandering plaats. Een betere wereld begint immers bij jezelf.



John Cassavetes en ‘A Woman under the Influence’

De Veronica gids vatte de film  ‘A Woman under the Influence’ ooit samen als een vrouw onder de invloed van drugs. Ik zou willen dat ik dit zelf verzonnen zou hebben, maar kan helaas mezelf hiervoor niet op de borst kloppen – stompzinnigheid is vaak creatiever dan inzicht. Het is ook typisch voor de oppervlakkige manier waarop veel mensen met deze wereld omgaan, want er is weinig gemakkelijker dan naar de titel kijken, de film verder nooit zien en vervolgens enkel op basis van een titel een verhaaltje in een TV gids schrijven. Iedereen die de film gezien heeft zal begrijpen dat Mabel niet een vrouw onder invloed van drugs is, maar toch komt deze interpretatie dichter bij datgene wat Cassavetes wilde bereiken dan de manier waarop vele critici de film interpreteerden, zoals Mabel als feministisch prototype of meer van dat soort nonsens. Want ik wil hier het idee opperen dat Mabel’s situatie vrijwel identiek is aan de situatie onder invloed van LSD zoals ik eerder beschreven heb. Niet dat dit de intentie van Cassavetes was, want toen ik deze interpretatie voorlegde aan Cassavetes kenner Ray Carney kon hij zich zeer goed vinden in de interpretatie, ook al kon hij met zekerheid zeggen dat Cassavetes nooit geïnteresseerd is geweest in de hele hippie cultuur van de jaren ’60 en de gehele beweging zelfs met het nodige wantrouwen gadegeslagen heeft. Alcohol is altijd zijn drug of choice geweest en dan niet eens altijd met mate of maten, maar in enorme hoeveelheden. Toch is de relatie tussen LSD en Mabel zo sterk dat ik de vergelijking verder door wil trekken, omdat het echt tot de kern van de film komt.

Of om het in een andere terminologie te zeggen: Mabel is het ultieme voorbeeld van een spons, een volstrekt egoloze vrouw die zo sterk reageert op alles om zich heen en alles zo sterk absorbeert dat ze constant ‘onder de invloed is’. Niet onder invloed van alcohol of andere drugs, maar van mensen – constant, altijd en overal. Ze is dus exact zoals een schildpad zonder schild, zoals ik mensen op invloed van LSD omschreef, die dankzij het wegvallen van hun ego gevoelig zijn voor alle invloeden om hen heen. Het grote verschil (en probleem) van Mabel is echter dat er bij haar geen einde aan komt en ze feitelijk constant in een lange LSD trip leeft, zonder dat de effecten minder worden. Iedereen die ooit LSD gebruikt heeft moet zich kunnen voorstellen hoe problematisch dat is, want hoe mooi de ervaring ook is, het meest geruststellende is nog dat het altijd maar een tijdelijke gemoedstoestand is en juist de wetenschap dat alles ooit weer zal terugkeren naar een normale situatie met ego is zo geruststellend. LSD is waanzinnig, maar het idee dat je constant, altijd en overal zo gevoelig bent voor alle invloeden om je heen is een kleine nachtmerrie, omdat je juist dankzij het wegvallen van het ego begrijpt waarom het ego zo’n cruciale functie heeft en het een onmisbaar mechanisme is, als je maar weet hoe je het moet gebruiken. ‘A Woman under the Influence’ is een dramatisering van alle positieve en negatieve gevolgen die een permanente egoloosheid met zich meebrengt.

De vroege sequentie in het café maakt direct duidelijk hoe Mabel in elkaar steekt. Na de schijnbaar zoveelste keer dat haar man Nick zijn afspraak niet nakomt, gaat ze naar een kroeg waar ze een man, Garson Cross aanspreekt. Ze maakt direct contact met hem, zoals Mabel altijd met iedereen direct contact zal maken door hem speels in zijn nek te knijpen. Er vindt ook direct het soort wederzijdse contact plaats waar Mabel constant naar op zoek is: als zij met haar handen een soort tromroffel op de bar maakt, imiteert Cross haar bewegingen wat een van de weinige keren in de film is dat iemand op Mabel reageert in plaats van andersom. Ze zingt een Cole Porter song, wat exact de vorm van persoonlijke expressie is die Mabel (en Cassavetes) prefereert. Maar zoals ook uit de rest van de film zal blijken, is verbale expressie of communicatie een stuk lastiger, omdat Cross vrij duidelijk haar motieven compleet verkeerd inschat. Cassavetes laat de exacte situatie zoals altijd bewust ambigu: het enige dat we echt weten over Mabel op dat moment is dat ze in de put zit nadat haar droomavond in duigen gevallen is en ze duidelijk behoefte heeft aan contact, maar het is niet duidelijk of dat seksueel of emotioneel contact is. Er wordt wel degelijk een aanwijzing gegeven als Mabel zegt ‘Nick stood me up tonight’, waaruit in principe opgemaakt kan worden dat Mabel op zijn minst een relatie heeft, iets waar Cross duidelijk nooit over nagedacht heeft als hij later volstrekt verbaasd reageert als Mabel hem aanziet voor Nick. Cross kiest er bewust of onbewust voor om Mabel’s opmerking te negeren en haar leggen van contact te  interpreteren als seksueel contact, want hij weet niet hoe snel hij moet suggereren dat ze samen een rustige plaats opzoeken en dat zal echt niet om te praten zijn. Zoals later zal blijken is dit echter absoluut niet waar Mabel in geïnteresseerd is, omdat nergens duidelijk wordt dat seks zelfs maar een deel van haar leven is en uit de verdere karakterisering kunnen we opmaken dat ze feitelijk enkel op zoek is naar emotioneel contact. Wat dus direct in een van de eerste scènes duidelijk wordt is het idee dat communicatie zo moeilijk is tussen mensen, iets wat steeds zal terugkeren in de rest van de film en het hart van de film vormt.

De volgende cruciale sequentie is een van de mooiste momenten die Cassavetes ooit op film heeft vastgelegd en dat is de ontbijtscene als Mabel spaghetti serveert aan Nick en zijn collega’s. Het is exact het soort scene waar Cassavetes altijd hevig voor bekritiseerd is omdat het overmatig lang, zinloos, rommelig en meanderend zou zij – er gebeurt niets. Maar er gebeurt in deze scene juist ontzettend veel, omdat het vol zit met menselijkheid en meer zegt over menselijke relaties dan de meeste films ooit in staat zijn om te doen. Het is daarbij ook een vreselijk eloquente dramatisering  van de levensvisie die achter iedere Cassavetes film schuil gaat. In de scene komt Nick na een nacht lang doorwerken onverwachts thuis om iedereen van ontbijt te voorzien, iets waar Mabel met haar voorliefde voor menselijk contact direct voor in is. We zien mensen eten, praten, eten knoeien en nog meer praten, met Mabel die duidelijk zit te genieten aan het hoofd van de tafel. Op een gegeven moment begint een van de Italiaanse medewerkers van Nick voorzichtig een aria van een opera te neuriën en dan komt er een ultiem Cassavetes moment: het wordt opgepakt door een zwarte man die luidkeels een aria begint te zingen. Mabel springt zichtbaar opgewonden van haar stoel en begint de donkere man te knuffelen. Geïnspireerd door deze spontane uitbarsting van persoonlijke expressie probeert Mabel een andere man, Billy te verleiden tot een soortgelijke uiting, maar de man voelt zich duidelijk niet op zijn gemak en weigert op Mabel’s verleidingen in te gaan. Mabel geeft echter niet op en blijft proberen om iets van persoonlijke expressie uit Billy te krijgen, totdat Nick haar als een hond uitkaffert en commandeert dat ze Billy met rust moet laten en moet gaan zitten.

Op het eerste gezicht gebeurt er wellicht weinig interessants, maar schijn bedriegt. De spontane muzikale uitbarsting van de neger is exact het soort persoonlijke expressie waar Cassavetes in zijn gehele oeuvre naar gestreefd heeft. Het is het laatste wat je zou verwachten, een donkere rioolwerker die ineens opera begint te zingen, maar dat is juist wat Cassavetes zo aantrekt. Als deze persoon zichzelf niet spontaan geuit had, had wellicht niemand ooit iets van dat facet van zijn persoonlijkheid afgeweten en dat is waarom echte communicatie voor Cassavetes zo belangrijk is; het overstijgt grenzen en zorgt ervoor dat mensen echt in contact met elkaar treden in plaats van de sociaal geaccepteerde vormen van communicatie waarbij mensen over koetjes en kalfjes praten zonder ooit echt iets te zeggen. Voor de muzikale eruptie was dat ook precies het beeld van de scene: iedereen praat met elkaar zonder echt in contact met elkaar te treden. Het oeverloze geouwehoer van Nick over ‘babies’ en ‘baby carriages’ is dan wellicht de maatschappelijk geaccepteerde vorm van communicatie, maar het zorgt er ook voor dat iedereen altijd een eiland op zichzelf blijft, zonder enige echte communicatie. Cassavetes’s oeuvre is een frontale aanval op dat idee, omdat het jezelf terugtrekken in je eigen privéwereld in Cassavetes altijd leidt tot problemen, zoals bijvoorbeeld in ‘Faces’ of ‘The Killing of a Chinese Bookie’ duidelijk wordt.

Dit is dus ook het probleem waar Nick aan leidt, omdat het al snel duidelijk wordt dat hij in ieder opzicht het tegenovergestelde is van Mabel: Mabel is een spons en Nick een steen. Waar Mabel constant probeert mensen te verleiden tot interactie, daar is Nick enkel bezig om mensen constant te commanderen en is hij structureel niet in staat om met zijn eigen gevoelens in contact te komen, dus laat staan met de gevoelens van anderen. Het verschil tussen Nick en Mabel is direct af te lezen uit de wijze waarop ze allebei met hun kinderen om gaan: Mabel treedt echt in contact met ze, stelt ze vragen en probeert ze echt in de interactie te betrekken door zeer responsief te zijn. Nick daarentegen is zo geobsedeerd met ‘having a good time’ dat hij geen seconde echt in staat is om ook maar van iets te genieten. Hij heeft halverwege de film ineens een sublieme vlaag van zelfinzicht als hij plots roept “comes to mind I don’t know my kids” waardoor hij besluit ‘gezellig’ naar het strand te gaan. Maar eenmaal daar aangekomen doet hij weer niets anders dan commanderen en sleurt hij zijn kinderen letterlijk over het strand zonder ook maar een seconde naar ze te luisteren en de enige vorm van communicatie met zijn kinderen is het voeren van bier. De zonloze strandscene maakt perfect duidelijk hoe leeg en onprettig het leven zonder echte communicatie is in de ogen van Cassavetes: no pain wellicht, maar ook no gain.

Dat wil echter niet zeggen dat Cassavetes blind is voor de problemen die ‘echte’ menselijke communicatie met zich meebrengt, omdat hij zich (net als ik, maar hierover later meer) terdege beseft dat lang niet iedereen altijd zit te wachten op deze vorm van communicatie, iets wat perfect geïllustreerd wordt door het incident met Billy. Aan de ene kant is het zo dat als je mensen niet aanspoort tot persoonlijke expressie of communicatie je allerlei facetten van diens persoonlijkheid nooit zult leren kennen omdat deze persoon het meestal niet uit zichzelf blootgeeft. Maar aan de andere kant is het ook zo dat hoe harder je probeert om iemand te verleiden, hoe meer die personen zich soms gaan ingraven en hoe meer ze zich juist terugtrekken in zichzelf, waardoor je dus het tegenovergestelde bereikt van wat je wilde. Maar dat is een risico dat nu eenmaal gelopen moet worden in de ogen van Cassavetes, want het is juist absoluut essentieel dat Mabel blijft proberen om Billy te verleiden, ondanks dat ze duidelijke signalen krijgt dat hij hier niet op zit te wachten. Maar opgeven is exact om toe te geven aan datgene wat Mabel probeert te doorbreken, het feit dat mensen zich liever laten leiden door maatschappelijke conventies dan echte menselijke communicatie. Juist omdat Billy zich ingraaft, gaat Mabel nog harder haar best doen, omdat Mabel (en Cassavetes) weigert toe te geven aan het idee dat het leven gemakkelijk of eenvoudig is. En dat is de crux van het verhaal: de meeste mensen die zich emotioneel niet blootgeven doen dat omdat ze het leven anders te complex en onoverzichtelijk wordt en afsluiten is de ideale wijze om dat te voorkomen. Maar niemand heeft ooit gezegd dat het leven gemakkelijk is, integendeel. Menselijke communicatie is bijna altijd moeilijk, problematisch, rommelig, onduidelijk en onoverzichtelijk en dat dien je juist te omarmen omdat de levendigheid van het leven hier juist in schuilt.

En deze levendige rommeligheid vindt ook rechtstreeks zijn neerslag in de esthetische vorm en structuur van de films van Cassavetes. In heb deze vrijheid in mijn analyse van Faces reeds duidelijk proberen te maken, maar het is iets wat constant in ieder aspect van het oeuvre van Cassavetes terugkeert. Dat is overigens iets geheel anders dan zeggen dat zijn films amateuristisch of willekeurig zijn, zoals zijn vele critici zo vaak heb willen claimen. Want hoewel zijn films altijd de indruk van rommeligheid geven, is dat geen onkunde maar een esthetische keuze. Als je bijvoorbeeld enkel naar de narratieve structuur van ‘A Woman under the Influence’ kijkt, dan zie je een perfecte klassieke structuur: eerst leren we Nick en Mabel afzonderlijk kennen, waarmee hun karakters worden geschetst en de situatie van hun huwelijk; vervolgens komen ze voor het eerst samen in de ontbijtsequentie en zien we de dynamiek van hun relatie goed in beeld en wordt duidelijk dat het dramatische conflict gevormd wordt door hun totaal verschillende karakters. Tevens wordt al subtiel gewezen op de rol die de maatschappij in dit conflict speelt en in de rest van de film worden al deze gegeven verder uitgewerkt waarbij iedere scene zeer duidelijk nieuwe informatie toevoegt aan het verhaal. De scènes op zichzelf kunnen dankzij hun extreme lengt en hectische montage het gevoel van rommeligheid geven, maar deze zijn in een klassiek raamwerk geordend, zodat je hooguit kunt spreken van georganiseerde chaos, iets wat me een vrij toepasselijke omschrijving lijkt voor ieder aspect van de films van Cassavetes. 

Zo is het bijvoorbeeld een vrij algemene misvatting om te denken dat de films van Cassavetes grotendeels geïmproviseerd zijn door de acteurs, maar daar is maar weinig van waar. Hoewel acteurs een grotere vrijheid hebben in zijn films ten opzichte van de meeste andere, zijn zelfs de films van Cassavetes voor het overgrote deel vooraf geschreven en vastgelegd. Van een film als ‘Faces’ bijvoorbeeld is het scenario gepubliceerd en daaruit blijkt dat de film die uiteindelijk op het doek verscheen, voor het grootste deel ook exact zo op papier stond; een kleine wijziging in de tekst hier en daar, maar dat is bij praktisch iedere film het geval. Dit is overigens weer niet bij iedere Cassavetes film het geval, want bijvoorbeeld zijn zwanenzang ‘Love Streams’ is vrijwel volledig tijdens het filmen herschreven en veranderd, zodat de uiteindelijke film in bijna niets meer leek op het oorspronkelijke toneelstuk of het scenario. Maar de wijzingen hierin zijn wel vrijwel volledig van de hand van de regisseur en niet van de acteurs. Zelfs een Cassavetes film is dus vrijwel volledig vanaf een compleet scenario geschoten en het gevoel van improvisatie dat zijn films wel altijd in zich dragen, is dus enkel schijnbare improvisatie. Deels verwerkte Cassavetes dit spontane, geïmproviseerde gevoel al in zijn dialoog en deels is het afkomstig van zijn werkwijze met acteurs.

In een traditionele film is het gebruikelijk dat een acteur vooraf het complete scenario krijgt en zijn benodigde tekst van buiten leert, zodat deze beslagen ten ijs kan komen. Voor er daadwerkelijk gefilmd wordt, wordt er vrij langdurig geoefend door de acteurs, om op die manier bekend te raken met de tekst, met de omgeving van de set en te wennen aan de interactie met de andere acteurs. Acteurs krijgen op die manier de kans om zich de rol eigen te maken en zich op hun gemak te voelen, voordat het echte werk, het kostbare proces van daadwerkelijk filmen begint, want het kost uiteraard vreselijk veel geld om iets op film vast te leggen dankzij de kosten van film, technici etc. Hier is direct een punt waarop Cassavetes verschilt van praktisch iedere filmmaker, omdat hij juist het oefenen zonder camera volledig achterwege liet. Zijn acteurs moesten direct, zonder oefening, voor de camera verschijnen en daar ter plekke hun scene spelen, met alle druk van toekijkende technici en een lopende camera van dien. Dit is uiteraard een ontzettend kostbare methode, omdat veel takes niet bruikbaar zullen zijn (Cassavetes hield er sowieso van om extreem veel takes op te nemen zodat hij later in de montagekamer de keuze had uit zoveel mogelijk opties, om daarmee de juiste emotionele toon voor iedere scene te kunnen vinden – dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een economisch regisseur als John Ford die het liefst zo weinig mogelijk verschillende takes had en vaak zelfs in de camera monteerde). Ondanks deze dure manier van filmen, weigerde Cassavetes echter systematisch om een andere methode te gebruiken, juist omdat hij altijd zocht naar een dergelijke druk die zo op de acteurs kwam te staan. Als mensen namelijk van tevoren kunnen oefenen en zich de scene ‘eigen’ kunnen maken, kunnen ze vervolgens leunen op routine en techniek, waardoor er in de ogen van Cassavetes een minder authentieke acteerprestatie ontstond. Hij wilde altijd voorkomen dat mensen zich op deze manier konden verschuilen achter een muur van techniek en wilde juist dat acteurs een scene speelden vanuit hun oprechte gevoel en emoties en niet op techniek. Of met andere woorden, hij was altijd bezig om ervoor te zorgen dat mensen geen stenen konden worden, maar sponzen werden om op die manier echt tot interactie met andere acteurs te kunnen komen, in plaats van een mechanisch oplepelen van tekst.

Cassavetes werkte in vrijwel al zijn films met vrienden en bekenden, om verschillende redenen. Allereerst omdat hij dan niet bij iedere film hetzelfde proces van kennismaking met en gewenning aan zijn onorthodoxe werkwijze hoefde te doorlopen en bepaalde acteurs weer moesten wennen aan zijn aanpak. Daarnaast wist hij dat hij met vrienden die de film maakten omdat ze echt in de film geloofden verder kon gaan dan met professionals die enkel voor het geld aan het acteren waren, omdat je van professionals minder kunt eisen als het gaat om extreme werktijden of werkdruk. Cassavetes deinsde namelijk niet terug voor vrij extreme methodes als hij van mening was dat een acteur niet gaf wat hij kon of dat de juiste snaar niet geraakt werd. Tijdens het maken van ‘Love Streams’ bijvoorbeeld, moest Cassavetes werken met een jong kind, Jacob Shaw. Deze knul was geen professioneel acteur, maar de zoon van een van de crewleden van de film en ‘Love Streams’ zou verder ook zijn enige acteerprestatie zijn. Het kind speelt in de film de zoon van het personage dat door Cassavetes zelf gespeeld wordt en in een scene moet het vreselijk boos worden op zijn vader en hem aanvallen. Cassavetes was echter niet tevreden met de acteerprestatie van de knul in deze scene en besloot uiteindelijk om het kind daadwerkelijk te gaan treiteren en het echt over de emmer te jagen. In de uiteindelijke scene zoals die in de film terug te zien is, is het kind niet eens echt aan het acteren, maar zijn zijn emoties de echte emoties die het op dat moment voelde. Als de vader van het kind op dat moment niet aanwezig geweest was op de set en ook een goede bekende geweest zou zijn van Cassavetes, had zelfs Cassavetes vermoedelijk niet gedurfd om zijn extreme methode te gebruiken.

Net als Mabel in de film, was Cassavetes constant bezig om acteurs te prikkelen de juiste emotionele snaar te raken en een performance neer te zetten en als hij het gevoel kreeg dat zijn acteurs niet alles gaven, deinsde hij er niet voor terug om over te gaan tot extremere methodes. Een langdurige medewerker van Cassavetes omschreef het prachtig toen hij zei dat iedere acteur uiteindelijk exact de prestatie gaf die Cassavetes voor ogen had, maar hij zijn acteurs wel altijd het gevoel gaf dat ze echt daadwerkelijk zelf inbreng hadden. Door zijn acteurs constant te bewerken, te prikkelen, te sturen en te coachen, gaf hij zijn acteurs het idee dat ze echt zelf inbreng hadden, maar wist hij iedere acteur wel dusdanig te sturen dat deze uiteindelijk de performance gaf die Cassavetes wilde. Dat lang niet iedere acteur gewend was aan deze eigenzinnige methodes en ook niet bereid was om zich hier aan over te geven, ondervond Cassavetes aan den lijve tijdens de opnames van ‘A Child is Waiting’, zijn laatste echte Hollywoodfilm. Een van de twee sterren van die film, Judy Garland, wist werkelijk niet wat ze met Cassavetes aanmoest, omdat wat hij van haar verlangde zo vreselijk afweek van wat ze al bijna 30 jaar aan het doen was. Het was zelfs zo erg dat de toch al instabiele Garland praktisch niet meer met Cassavetes wilde werken en steun zocht bij haar tegenspeler, Burt Lancaster. Deze steunde Garland en het gevolg was dat er de vreemde situatie ontstond dat de twee hoofdrolspelers een pact gevormd hadden tegen hun regisseur – een verre van constructieve situatie.

Niet alleen werkte Cassavetes het liefst met acteurs die hij goed kende, ook zijn crew bestond vrijwel altijd uit mensen met wie hij door de jaren heen een hechte band opgebouwd had en die in staat waren om zich aan te passen aan de onconventionele werkwijze van Cassavetes. Aanvankelijk had Cassavetes een student van het American Film Institute, Caleb Deschanel aangesteld als director of photography, omdat hij een deal gesloten had met het AFI waarbij hij studenten stage liet lopen door ze aan zijn film mee te laten werken. Deschanel (die later verantwoordelijk zou zijn voor de fotografie van bigbudgetfilms als ‘The Passion of the Christ’ en’ National Treasure’) had verder geen enkele ervaring op zijn studie na en zou dus juist open hebben moeten staan voor nieuwe ideeën of een alternatieve werkwijze, maar niets bleek minder waar, want zelfs Deschanel bleek al te veel gevormd door noties als hoe een film gemaakt dient te worden. Constant lag hij met Cassavetes overhoop als deze hem weer eens vroeg om iets te doen wat ongebruikelijk was en na een paar weken filmen, zag Cassavetes geen andere optie dan Deschanel te ontslaan. Het gevolg was dat Cassavetes zonder cameraman zat midden tijdens de opnames en hij ook geen geld had om een nieuw iemand te huren, dus wat hij vervolgens deed was om een lager iemand uit het camera departement te promoveren tot hoofdcameraman, Michael Ferris. Ferris wist letterlijk niet eens hoe hij een camera met film moest laden, maar werd volledig in het diepe gegooid, omdat  Cassavetes heilig geloofde dat als iemand iets wil leren hij dat ook kan, zelfs als dat betekent dat je het ter plekke moet doen. Niet alleen vertelt deze anekdote ons veel over het doorzettingsvermogen van Cassavetes, het zegt ook alles over zijn ideeën omtrent openheid en geslotenheid. Hij had dus liever iemand die in de meest letterlijke zin een onbeschreven blad was en daarom open stond om te leren (volgens onconventionele methodes), dan een professioneel iemand die een onwrikbare visie had over hoe bepaalde dingen wel of niet dienden te gebeuren. Openheid boven alles. 

Om hiermee naar de film zelf terug te keren, in de ontbijtsequentie is duidelijk dat de openheid van Mabel rechtstreeks conflicteert met de geslotenheid van Nick en wordt het duidelijk dat de kern van de film gevormd wordt tussen het eeuwige gevecht tussen stenen en sponzen. Ik zou me kunnen voorstellen dat mensen het extreme karakter van Mabel als oorzaak van het conflict willen zien, maar dat is pertinent onjuist. Gena Rowlands heeft zich altijd zeer fanatiek tegen deze interpretatie verzet, omdat Mabel in haar ogen wellicht excentriek is, maar absoluut niet krankzinnig. En hoewel het me duidelijk lijkt dat de sympathie van Cassavetes uiteindelijk volledig bij Mabel ligt (niet alleen omdat Mabel het duidelijke alter ego is van de regisseur zelf en dat deze aanname volledig gesteund wordt door de rest van zijn oeuvre, ook de titel maakt duidelijk dat de vrouw de centrale figuur is), lijkt het me ook verkeerd om te claimen dat Nick hiermee de ‘vijand’ is. Nick is duidelijk nogal ‘clueless’ (waarom is daar in het Nederlands geen goede vertaling voor?) en mist nogal veel in het leven doordat hij zich zo afsluit, maar is tegelijkertijd ook duidelijk een sympathiek karakter en zijn oprechte liefde voor Mabel staat als een paal boven water. Uiteindelijk is er in de beste traditie van het melodrama uiteindelijk helemaal geen vijand of geen duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad en vormt het conflict uiteindelijk een onoplosbare situatie, wat het genre altijd zo schrijnend maakt. Als we echter per se een schuldige willen aanwijzen voor het conflict, dan komt de maatschappij als geheel nog het meest in de buurt. Er zijn al hier en daar subtiele hints in die richting geweest, maar de sequentie met Mr. Jensen legt dit nog meer bloot.

Het is wederom een cruciale sequentie en in puur dramatisch opzicht wellicht de meest belangrijke omdat het rechtstreeks overgaat in de beroemde zenuwinzinking sequentie. Het begint op straat als Mabel op haar kinderen aan het wachten is en ze wat zenuwachtig op straat aan het lopen is in afwachting van de schoolbus. Ze vraagt twee keer aan voorbijgangers om de tijd, maar beide figuren weigeren te antwoorden en lopen gehaast verder. Het is een van die vele momenten in de film die op het eerste gezicht onbelangrijk lijken, maar Cassavetes dwingt de kijker wel degelijk in een problematische positie. Want mensen identificeren zich op dat punt vermoedelijk wel met Mabel, maar de vraag is natuurlijk of het overgrote gedeelte van het publiek in diezelfde situatie niet exact hetzelfde zou reageren? Wat doe jij als je een excentriek figuur op straat ziet lopen die wild om zich heen loopt te schreeuwen? Het is een speldenprikje waarbij Cassavetes de kijker vraagt om excentriek gedrag niet rechtstreeks te veroordelen, maar proberen te begrijpen. Of om het anders te zeggen: om open te staan voor iets wat afwijkt van de norm, in plaats van dit direct af te keuren en jezelf er voor af te sluiten.

Een manier waarop deze thematiek terugkeert is bijvoorbeeld in Frank Perry’s fascinerende ‘Man on a Swing’ (1974), gebaseerd op een waargebeurde moordzaak waarbij een politie detective (Cliff Robertson) geholpen wordt door een helderziende om een zaak op te lossen. Zoals in vrijwel al zijn films is Perry ook hier sterk geïnteresseerd in excentriek of extreem gedrag en suggereert hij ook hier dat het vreemde gedrag van de helderziende wellicht minstens zo normaal of zelfs normaler is dan dat van de maatschappij. Het is niet zo dat Perry ons ergens concrete antwoorden geeft, hij slaat enkel consequent de vaste grond onder de kijker vandaan om hiermee de kijker uit zijn ‘veilige’ morele omgeving te trekken (zijn beruchte ‘Mommie Dearest’ krijgt een compleet andere betekenis als we het in Perry’s oeuvre plaatsen en proberen te begrijpen vanuit zijn standpunt). Het wordt nergens duidelijk in ‘Man on a Swing’ wie er ‘gelijk’ heeft en dat is nu precies de essentie: de helderziende komt op zijn minst zweverig over al is het enkel vanwege zijn helderziende gaven, welke regelmatig in twijfel getrokken worden zonder ze ooit definitief te verwerpen. Daarnaast komt hij soms obsessief en verdacht over als hij bijvoorbeeld de vrouw van Robertson bezoekt en haar dwingt om zijn zakdoekje aan te nemen, waarmee hij praktisch voldoet aan het cliché beeld van de verdachte helderziende die van het padje af is. Tegelijkertijd echter wijst de film heel duidelijk op de mogelijkheid dat de helderziende misschien nog de meest verstandige van het stel is, omdat ook de ‘geaccepteerde’ maatschappij in twijfel wordt getrokken, in de vreselijk onvriendelijke ondervraging door de psychiaters bijvoorbeeld. Op het einde komt duidelijk de suggestie naar boven dat Robertson meer dan een beetje schuld heeft aan alles, precies omdat hij zichzelf volledig afsluit voor de mogelijkheid dat de helderziende wellicht op het goede spoor was. Als hij eens misschien niet zoveel zou drinken en had geprobeerd om het ongeloofwaardige een eerlijke kans te geven, had de moord van het tweede meisje mogelijk voorkomen kunnen worden. Ik lees vrijwel overal dat de emotieloze en slaperige performance van Cliff Robertson een van de grootste problemen van de film zou vormen, terwijl het juist de kern van de hele film is, omdat zijn blanco acteerwerk zo sterk diens afsluiten voor de wereld communiceert. Perry speelt beide kampen prachtig tegen elkaar uit en laat het volledig aan de kijker om te beslissen waar nu de ‘waarheid’ ligt en geeft nergens antwoorden, maar brengt wel heel duidelijk de suggestie naar voren dat alles anders had kunnen lopen als Robertson een spons had geweest in plaats van een steen.

Dit idee wordt voortgezet in de momenten met Mr. Jensen, die eveneens direct afwijzend reageert op Mabel’s ‘vreemde’ gedrag. Uiteraard laat ze zich hierdoor niet uit het veld slaan, maar blijft ze proberen om de vreselijk stijve Mr. Jensen wat losser te maken en te verleiden tot een dans of toch in ieder geval iets van emotie. Het acteerwerk in iedere Cassavetes film wordt praktisch standaard geprezen omdat het zo goed is, maar daarmee wordt vaak over het hoofd gezien dat een Cassavetes film helemaal niet zo uniform goed geacteerd is als mensen soms lijken te willen claimen. In werkelijkheid is er in zijn films altijd een enorme diversiteit aan verschillende acteerstijlen te vinden, omdat er ook altijd een diversiteit een verschillende acteurs terug te vinden is die allemaal hun eigen persoonlijke inbreng aan zijn films geven. Het acteerwerk van Mario Gallo is op geen enkele manier als ‘goed’ te lezen, maar toch past het vreselijk goed in zijn rol omdat het personage zo ontzettend stijf en teruggetrokken is en Cassavetes kiest altijd datgene wat het beste bij een rol past. Zijn personage Mr. Jensen staat feitelijk symbool voor alles in onze maatschappij wat veroordelend en bekrompen is, iets wat direct zijn terugslag vindt in het acteerwerk. Al direct vanaf het moment dat hij aan de deur staat, heeft hij besloten dat Mabel gestoord is en voelt hij zich daardoor zichtbaar ongemakkelijk bij de hele situatie en gaat hij zich enkel nog ongemakkelijker voelen als Mabel maar blijft proberen om hem uit zijn schulp te krijgen. De situatie escaleert volledig als Nick en zijn moeder thuiskomen en er een soort blinde paniek ontstaat omdat de kinderen een verkleedpartijtje hadden en een van de kinderen naakt in het huis rondloopt. Mr. Jensen reageert al zijn onvrede af op Nick, die zijn onvrede over Mabel weer afreageert op Mr. Jensen, waardoor alles uit de hand loopt en ze met elkaar op de vuist gaan. Natuurlijk krijgt Mabel de schuld van dit alles, maar de grote vraag is natuurlijk of dit überhaupt terecht is? Want wat is er nu precies gebeurd wat zo erg is? Ja, er loopt een naakt kind rond, maar dat is allemaal perfect te verklaren en het is niet zo dat er kinderporno in het huis opgenomen wordt of zo. Dus waar het feitelijk op neer komt is dat Nick exact dezelfde fout maakt als Mr. Jensen en dat is dat hij Mabel veroordeelt omdat ze afwijkt van de norm. Mabel zelf geeft een briljante analyse van de hele situatie als ze zegt: “you just made a jerk of yourself and now you’re ambarrassed, but so what? I do it all the time”.

Wat nu dus duidelijk gemaakt wordt is dat het probleem noch bij Mabel, noch bij Nick ligt, maar feitelijk bij de wijze waarop de maatschappij zijn norm op alles en iedereen probeert te drukken. Wat Mabel tot nu toe in de film gedaan heeft is wellicht vreemd, maar nergens echt onacceptabel en ze krijgt haar zenuwinzinking expliciet omdat mensen haar in een norm proberen te persen waar ze helemaal niet in past. Ze is zelf constant bezig om iedereen uit hun Matrix te halen, maar er wordt andersom constant geprobeerd om Mabel weer terug te halen naar de Matrix, waarbij Nick, zijn moeder, Mr. Jensen en Dr. Zepp feitelijk fungeren als Agent Smith. Hoe sterk deze normatieve tendensen van de maatschappij zijn, blijkt uit het moment als Mabel weer teruggekeerd is uit de inrichting. Ze probeert wanhopig om zichzelf te gedragen op de wijze waarop de maatschappij wil dat ze het doet, maar faalt op miserabele wijze omdat het volledig indruist tegen alles waar ze in gelooft. De maatschappij accepteert Mabel niet zoals ze is, maar enkel zoals ze in de ogen van de maatschappij moet zijn en iedere afwijking van de norm moet afgestraft worden. De scene waarop het gehele gezin rondom tafel zit, komt vrijwel rechtstreeks overeen met degene die ik in mijn analyse van Meet me in St. Louis heb beschreven, omdat ook hier de maatschappij gebaseerd is op ontkenning, angst en conformiteit. Nick verbiedt iedereen herhaaldelijk om ergens over te praten (“just conversation, normal talk, the weather, how are you”), terwijl Nick’s moeder en anderen verschillende malen zeggen dat er niet gesproken mag worden over het verleden. Dat Mabel niet kan functioneren in een dergelijke atmosfeer van onderdrukking blijkt uit het fantastische moment dat ze roept dat Tina zo’n dikke kont heeft. Tina zelf vindt het niet zo’n probleem, maar de rest creëert een probleem waar er geen probleem is, puur en alleen omdat Mabel zich niet conformeert aan de sociale consensus. Die zegt namelijk dat het onbeleefd is om tegen iemand te zeggen dat hij of zij een dikke kont heeft, ook al is het voor iedereen duidelijk dat dit zo is. Of om het anders te zeggen: sociale etiquette wordt door mensen gebruikt als het zoveelste afweermechanisme waarmee mensen zichzelf kunnen afsluiten van de wereld en al zijn complexiteit. Mensen hebben liever ‘normale’ conversatie (the weather) dan ‘echte’ conversatie omdat ze dat laatste allemaal maar vervelend vinden. Maar wat dit moment in ‘A Woman under the Influence’ zo sterk duidelijk maakt is dat dergelijke geaccepteerde omgangsnormen verstikkend werken en iedere vorm van echte menselijke interactie onmogelijk maken. Ik heb een vrij sterke afkeer van kostuumdrama’s om precies deze reden: ik kan maar moeilijk begrijpen dat er zoveel films zijn die dergelijke maatschappijen, die tot in de kleinste details geregeerd worden door omgangsnormen, met zoveel respect en zonder enige vorm van kritiek kunnen representeren omdat het de puurste nachtmerrie denkbaar is voor me. De enige kostuumdrama’s die ik kan verdragen zijn degene die deze aspecten genadeloos blootleggen, zoals bijvoorbeeld Otto Preminger’s ‘Forever Amber’ (1947), waarin een typisch subtiel, maar hilarisch moment plaatsvindt als de koning George Sanders te laat binnengelopen komt tijdens een toneelstuk dat al gaande is, de toneelspelers hun zwaardgevecht tijdelijk staken om de koning te groeten om vervolgens vrolijk verder te gaan met het toneelstuk. Zelden is de absurditeit van sociale etiquette beter verbeeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Preminger in de rest van de film systematisch duidelijk maakt hoeveel seksuele lust, perversie en hebzucht er schuilt gaat onder die overmatig geciviliseerde maatschappij, omdat hij vermoedelijk niets dan walging voelde voor de sociale korsetten waar iedereen destijds in gehesen werd.

De situatie is inmiddels gelukkig wel enigszins verbeterd, maar veel minder dan me lief is. Ik wil dit essay daarom ook afsluiten door schaamteloos over mezelf te gaan praten, allereerst om de belofte van de persoonlijke betrokkenheid van de criticus in te lossen, maar ook omdat ik aan de hand van alles wat ik reeds gezegd heb enkele misconcepties uit de wereld hoop te helpen. Mensen die me kennen zullen inmiddels weten dat ik, eufemistisch gezegd, niet bepaald voor een discussie terug deins en het moge inmiddels hopelijk duidelijk te zijn dat ik dat doe uit dezelfde beweegredenen als Mabel: om echt contact tussen mensen te bewerkstelligen. Nu zal ik de eerste zijn om toe te geven dat mijn methode sterk afwijkt van die van Mabel, want in plaats van voorzichtig coachen, kies ik meestal voor de confronterende, directe aanpak met de nodige dosis humor en vaak meer subtiliteit dan mensen lijken te beseffen – mijn methode komt dus meer overeen met Ken Russell dan met die van Cassavetes, om het in filmische termen te houden. Omdat ik constant merk dat mensen zo sterk vastzitten aan hun ego en weigeren los te laten, probeer ik om ze los te maken van dat ego en dat gaat niet zonder slag of stoot. Er wordt me wel eens gevraagd of ik niet beter een subtiele, diplomatieke aanpak kan hanteren, maar sowieso past dat minder goed bij mijn karakter en daarnaast ben ik er van overtuigd dat mijn confronterende aanpak meer kans van slagen heeft, ook al besef ik dat het regelmatig het tegenovergestelde ‘Billy-effect’ heeft. Maar als je een betonnen bunker binnen wilt breken kun je wel met een tandenborstel gaan staan veilen, dynamiet heeft iets meer kans van slagen. De discussies voltrekken zich vrijwel zonder enige uitzondering volgens hetzelfde patroon: iemand doet een uitspraak, ik ga daar vervolgens met duidelijke argumenten stevig tegenin, die persoon probeert terug te argumenteren maar komt al snel tot de conclusie dat zijn standpunt vanaf het eerste moment op drijfzand gebaseerd was en is niet in staat mijn argumenten te weerleggen. Dan ontstaat er een soort paniek, omdat het ego zichzelf aangevallen voelt en op dat punt gaan mensen zich beroepen op mijn onvriendelijke stijl en gaan ze alles dusdanig verdraaien puur en alleen zodat ze maar niet hoeven toe te geven dat de uitspraak die ze eerst deden gewoon niet klopt. 

Ik krijg dus constant het verwijt naar me toe geslingerd dat ik ‘persoonlijk’ word, maar mensen zijn zo verblind dat ze niet inzien dat zij juist degenen zijn die persoonlijk tegen mij worden. Ik val mensen namelijk aan op hun standpunt en niet op hun persoonlijkheid, maar doordat ze zo sterk geregeerd worden door hun ego kunnen ze dat verschil niet zien: het ego ziet alles als een aanval op henzelf en dus sluiten mensen zichzelf af voor wat ik zeg. En voordat mensen gaan claimen dat er geen verschil is tussen een persoon en het standpunt dat een persoon naar voren brengt: ik ben ooit lid geweest van een mailinglist waar internationale critici met elkaar in discussie gingen en daar stond het zelfs in de reglementen dat je wel mocht zeggen: “wat jij daar zegt is debiel”, maar niet “jij bent debiel”, omdat het ene inhoudelijk gemotiveerd is en het andere een ad hominem aanval. Is het mijn schuld dat mensen niet in staat zijn om dit onderscheid te maken? Omdat ze zich vervolgens volstrekt overbodig in het nauw gedreven voelen, gaan mensen standaard klagen over mijn confronterende stijl (ironisch, omdat de meeste mensen als het om film gaat enkel in staat zijn om naar de inhoud/verhaal te kijken en niet naar de stijl, terwijl het bij menselijke communicatie altijd andersom is), niet omdat ze hiermee een argument aanvoeren, maar enkel omdat het de aandacht afleidt van hun egoprobleem. Het punt is namelijk dat ik nog nooit ook maar enig argument heb gehoord waarom mijn manier van communiceren niet mag of kan, behalve dan dat het buiten de norm valt. Of om het anders te zeggen: mensen verschuilen zich altijd achter sociale conventies niet omdat er enige echte kwaliteit in die conventies zit, maar omdat het ze in staat stelt om zich hiermee af te sluiten voor mijn argumenten. Waar ik enkel geïnteresseerd ben in inhoudelijke discussie en oprecht contact met mensen, daar willen de meeste mensen zich daarvoor afsluiten. Ik probeer constant altijd mensen uit hun Matrix te trekken, maar wordt net als Mabel altijd in een maatschappelijk korset geperst waar ik de mensen juist uit wil bevrijden. En mensen lijken vaak oprecht te denken dat ik mezelf niet helemaal bewust ben van de dingen die ik zeg of de manier waarop ik het zeg, terwijl ik me altijd 100% bewust ben van alles wat ik doe. Niet omdat ze hier argumenten voor hebben, maar omdat ze niet in staat zijn om te gaan met iets wat van de norm afwijkt en ze automatisch er van uit gaan blijkbaar dat als ik iets doe wat buiten de norm valt, ik mezelf hier duidelijk niet bewust van kan zijn. De regulerende werking van de Matrix is voor hen zo sterk en vanzelfsprekend dat ze niet beseffen dat het ook mogelijk is om heel bewust buiten die Matrix te leven.  

Sceptici zullen nu ongetwijfeld roepen: allemaal leuk en aardig en het leven van een steen is misschien ook niet alles, maar als jij of Mabel het toonbeeld van een spons zijn, lijkt me dat ook niet bepaald een ideaal wat navolging inspireert – ik heb geen zin in een zenuwinzinking zoals Mabel. Het is het soort kritiek dat Cassavetes vaak over zich heen gekregen heeft, waarbij mensen zo vaak claimen dat zijn personages te extreem zijn. Maar los van het feit dat Cassavetes nooit gepretendeerd heeft dat zijn films in hapklare brokjes te verteren zijn en dat juist de complexiteit van het leven zo cruciaal is voor zijn films, is het ook een te letterlijke lezing van zijn personages. Hij maakt ze namelijk opzettelijk zo extreem, om mensen op die manier uit hun cognitieve Kansas te trekken. Als je iets duidelijk wilt maken dat zo ver buiten de norm valt, is het vaak een zeer waardevolle tactiek om veel hoger in te zetten dan je uiteindelijk wilt bereiken. Of om nog maar even de link met de psychedelische wereld te trekken, om die cirkel rond te maken: een van de grootste verdedigers van psychedelica, de ethnobotanist Terence McKenna (op wie David Lynch het Dr. Jacoby personage uit ‘Twin Peaks’ gebaseerd heeft) heeft altijd heel bewust exact dezelfde methode gebruikt en is daar ook altijd zeer eerlijk in geweest. Dus je hoeft niet per se te geloven dat paddo’s afkomstig zijn van een buitenaards ras dat ze hier heeft achtergelaten, waar het hem om gaat is dat als je maar een aspect van zijn argumenten kunt geloven, de weg vervolgens vrij is om de rest ook te accepteren. Vergelijk het met het verkopen van een huis: dat zet je ook altijd voor veel meer te koop dan je uiteindelijk wilt krijgen. Want als je mensen moet zien los te wrikken uit een volstrekt monolithische positie, dan draait alles om de eerste beweging – de rest volgt vanzelf. Het moge daarom duidelijk zijn dat Mabel niet bepaald het ideaalbeeld is, omdat ze constant zo responsief is op alle invloeden om haar heen dat het haar gehele leven praktisch onmogelijk maakt. Maar al zou maar iedere persoon op aarde maar een fractie van Mabel’s openheid en reactievermogen hebben, dan zou de wereld een betere plaats zijn. Daarom vraag ik me zo vaak af waarom zoveel mensen een film als ‘A Woman under the Influence’ een van hun favoriete films noemen om vervolgens twee tellen later precies datgene te doen wat de film zo sterk problematiseert. Ik vraag me dan oprecht af wat het is dat mensen zien in een film als dit. Want alles iedereen Cassavetes echt zou begrijpen, dan zouden we in een iets betere wereld moeten leven en dat is helaas niet het geval. Het is natuurlijk de vraag of het mogelijk is om een film echt mooi te vinden als je het totaal niet eens bent met de inhoud (kun je ‘Triumph des Willens’ esthetisch mooi vinden, ondanks de Nazi boodschap?) en dat is moeilijke kwestie. In het geval van Cassavetes lijkt het me echter een resoluut nee, omdat de openheid die hij zo duidelijk promoot zo sterk verweven zit in ieder aspect van de films. Dus daarom dat iedereen misschien eens in de spiegel kant kijken en zichzelf de vraag kan stellen van Unlce Monty: “are you a stone or a sponge”?

Labels:

zondag, september 16, 2012

Nine 1/2 Weeks (Adrian Lyne, 1986) *****


In de film ‘Boogie Nights’ zit een scene waarin het personage van Mark Wahlberg ietwat pretentieus zit te vertellen dat hij hoopt dat de seksfilms die hij maakt mensen kan helpen om hun seksleven te verbeteren. Het is op dat moment duidelijk dat zijn personage de weg aan het kwijt raken is, maar desalniettemin denk ik dat het idee wat er geopperd wordt niet eens zo gek is en van toepassing kan zijn op bepaalde films. Nine ½ Weeks is precies zo’n film wat mij betreft. En dan heb ik het nog niet eens zozeer over de seks, hoewel alles wat seks van de Christelijke preutsheid af kan helpen aan te moedigen is. Maar ik denk dat de kracht van een film als Nine ½ Weeks vooral schuilt in het feit dat het mensen kan leren om het leven in al zijn facetten te omarmen en om niet bang te zijn voor nieuwe ervaringen. Het promoot een bepaalde levenshouding die exact overeen komt met de mijne en die ik ooit omschreven heb met een soort eigen variant op Plato’s grotanalogie; het gaat ongeveer als volgt: iedereen wordt vastgebonden geboren in een donkere kamer, waarbij je nauwelijks een hand voor ogen ziet. Aftasten gaat niet omdat je je handen niet kunt gebruiken. Eenmaal in die situatie heeft iedereen twee keuzes: ofwel je verroert geen vin en blijft exact je hele leven zitten waar je zit, met soms een hele kleine beweging naar links of rechts . Dit heeft als voordeel dat je niet je hoofd stoot tegen een muur en dus ook geen kans loopt om pijn te lijden. Het grote nadeel is uiteraard dat je ook nooit veel bewegingsruimte zult hebben, omdat je jezelf altijd beperkt tot dat kleine stukje wat je al kende bij je geboorte. Daarnaast leef je ook je gehele leven in angst omdat bij iedere kleine stap die je zet je bang bent om je hoofd tegen de muur te stoten en zul je bovendien nooit te weten komen hoeveel bewegingsvrijheid je uiteindelijk hebt en hoeveel er dus mogelijk is in het leven. De andere optie is vrij eenvoudig: je gaat op zoek naar de grenzen van de kamer. Het grote risico is daarbij uiteraard dat je een keer of meerdere keren je hoofd stoot en je daarbij lichte of wellicht zelfs zware verwondingen oploopt. Daar staat echter tegenover dat nadat die verwondingen geheeld zijn, je wel precies weet waar de muren van jouw kamer zich bevinden en je de rest van je leven ongestoord een weg door je kamer kunt begeven. Eenmaal je angst overwonnen zal je leven aanmerkelijk rijker zijn omdat je de volledige oppervlakte van de kamer kunt gebruiken. Nu moge het duidelijk zijn dat deze twee opties twee extremen zijn en dat er verschillende mengvormen mogelijk zijn. Maar toch denk ik dat alle mensen uiteindelijk heel duidelijk in een van deze twee categorieën ingedeeld kunnen worden, omdat je je moet afvragen wat de eerste impuls is van een persoon: stil blijven zitten of verkennen? Ben je een persoon die bang is voor de mogelijkheden van het leven of ben je bereid om het leven in al zijn facetten te verkennen en zodoende de rijkheid van het leven in al zijn schakeringen omarmt? Helaas is het zo dat de meeste mensen die in de eerste categorie van het niet verkennen vallen, dit in de meeste gevallen volledig zullen ontkennen, omdat hun onwil om het leven te verkennen vrijwel altijd gepaard gaat met een gebrek aan zelfkennis en –inzicht. Hun leven is gebaseerd op angst en ontkenning.

Het moge duidelijk zijn dat ik met beide benen in die twee categorie val en een van de aspecten van het leven die ik in mijn eindeloze zoektocht tegen ben gekomen is een zekere substantie met de naam lysergic acid, ook wel LSD genoemd in de volksmond. Het is een nogal complexe drug, maar er zijn in principe twee belangrijke facetten: allereerst versterkt het de zintuiglijke waarneming dusdanig dat je bijna kunt zeggen dat je nog nooit hebt waargenomen tot je voor het eerst LSD neemt. Waar de waarneming normaal gesproken wordt gefilterd door het ego, zet LSD de deuren naar de waarneming wagenwijd open, exact ‘The Doors of Perception’ dus waar Aldous Huxley naar verwijst in zijn klassieke essay over de gevolgen van mescaline (vergelijkbaar met LSD) en waar de band The Doors hun naam vandaan hebben. Het is wat moeilijk te omschrijven voor iemand die het nog nooit ervaren heeft, maar in sommige gevallen heb je het gevoel dat je met iedere porie van je lichaam kunt waarnemen en kan er synergie optreden, wat een vermenging is van zintuiglijke waarneming, zodat je kleuren kunt proeven of geluiden kunt zien. Sinds de eerste keer dat ik ooit LSD heb gebruikt staat mijn leven volledig in het teken van de zintuiglijke sensatie, omdat ik nergens méér plezier uit krijg dan het simpele en constante feit van zintuiglijke waarneming. Iedereen neemt constant waar natuurlijk, maar vrij weinig mensen zijn zich er echt bewust van. LSD maakt je volledig verliefd op jezelf, de wereld en jouw relatie tot die wereld en je beseft dat er geen plezier groter is dan het waarnemen van deze wereld in al zijn facetten en mijn leven draait nu constant om gebeurtenissen te verdiepen in ervaringen, om met de woorden van James Hillman te spreken. Het is ook om deze reden dat ik van de een op de andere dag volledig gestopt ben met mijn extreme alcoholconsumptie, tot grote verwarring en verrassing van mensen in mijn omgeving. Maar het verdovende effect van alcohol, waarbij de zintuiglijke waarneming teruggebracht wordt tot niets meer dan de meest fundamentele basis zonder enig echt gevoel, is voor mij sindsdien onacceptabel geworden. Niet dat ik principieel op alcohol tegen ben en de smaak van bijvoorbeeld champagne of whisky (feitelijk de enige vormen van alcohol die ik soms nog neem) vind ik nog steeds waanzinnig, maar wel in zeer bewuste mate, zonder dat de alcohol de waarneming echt gaat beïnvloeden.

Een ander aspect wat hier vrij sterk aan verbonden is, is het idee dat alles onder invloed van LSD vloeibaar wordt; waar je nuchter de wereld ziet met duidelijk gedefinieerde vormen en grenzen, daar verdwijnen die grenzen tijdens de LSD trip – vandaar ook de sterke nadruk op vreemde vormen in psychedelische kunst. Hierin schuilt een van de belangrijkste eigenschappen van de drug, omdat het je in staat stelt om in plaats van vast en monolithisch tijdelijk ongevormd door het leven te gaan. Hierdoor kan een bepaalde mentale kneedbaarheid ontstaan en de echt goede psychonaut is in staat om deze kneedbaarheid ook door te trekken in zijn dagelijkse leven. Je kunt het een beetje vergelijken met klei: zolang deze vochtig is, is het kneedbaar en kun je het in allerlei vormen wringen, maar op het moment dat het uitdroogt wordt het uiteindelijk steenachtig en onwrikbaar. Een paar keer LSD per jaar kan de psychonaut helpen om mentaal kneedbaar en flexibel te blijven, met alle positieve gevolgen van dien omdat je jezelf kunt losmaken van alles wat de maatschappij je opdringt. Federico Fellini heeft ooit gezegd dat mensen hun hele leven bezig zijn om datgene wat ze op school geleerd hebben te ontleren en ik kan het moeilijk meer met hem eens zijn. Mensen moeten datgene wat ze opgedrongen wordt vervangen door datgene wat ze echt voelen en vinden.

Het gebeurt regelmatig op mijn kritiek dat een bepaalde persoon vastgeroest is in bepaalde patronen of levensstijl mensen zeggen dat die persoon tevreden is. Maar tevredenheid is in mijn ogen de meest gevaarlijke emotie die er is, omdat tevredenheid impliceert dat iemand gestopt is met zoeken naar nieuwe mogelijkheden. Zeker, we moeten datgene wat we hebben koesteren, maar dat wil niet zeggen dat we niet altijd open moeten staan voor nieuwe ervaringen of veranderingen. De meeste mensen zijn op hun 20e volledig uitgegroeid en gevormd: in de rest van hun leven zullen zo weinig veranderingen meer plaatsvinden in hun levenspatronen of interesses dat ze vrijwel te negeren zijn. Terwijl dit juist helemaal niet nodig is en er altijd veranderingen mogelijk blijven. Ik ben zeker niet blind voor de onoverkomelijkheid van genetische bepaaldheid en begrijp dat de kern van een persoon al heel snel in het leven vast staat. Maar buiten die kern is zoveel verandering mogelijk, omdat de rest allemaal een tijdelijke constructie is, een constructie die aangepast kan worden. Mensen zijn feitelijk vergelijkbaar met een kasteel met een slotgracht: dat kasteel staat vast, maar het is altijd mogelijk om gasten via de loopbrug toe te staan die vervolgens grote invloed hebben op de inrichting van het kasteel. Helaas lijken de meeste mensen zo ongeveer vanaf hun 20e de ophaalbrug op te halen om die vervolgens nooit meer omlaag te laten en schieten ze iedere indringer die langs de muur omhoog probeert te klimmen direct met pijl en boog van de muur af. Het gevolg is een nogal pover leven en uiteindelijk zelfs een soort mentale incest omdat ideeën wat dat betreft net zoals bloed zijn: ze moeten regelmatig ververst worden omdat er nieuwe genen en invloeden van buitenaf noodzakelijk zijn voor een gezonde voortzetting. De kunst is nu juist om die verstening of het vastroesten tegen te gaan door flexibel en vloeibaar te blijven, omdat het veel gemakkelijker vol te houden is als je in beweging blijft. Het kost ontzettend veel moeite om weer op conditie te komen als je een jaar lang stil gelegen hebt.

Neem nu bijvoorbeeld top 40 muziek. Ik vraag me wel eens af wat mensen er mooi aan vinden, maar krijg altijd dezelfde reactie: als ik dat toch mooi vind, wat is dan het probleem? Welnu, het probleem is dit: bij de meeste mensen is het geen bewuste keuze om naar top 40 muziek te luisteren, maar komt het voort uit pure luiheid en gebrek aan kennis van andere muziekstromingen. Top 40 muziek krijg je van kinds af aan te horen, dat kun je praktisch niet voorkomen en als mensen dat direct mooi vinden is dat in principe geen probleem. Totdat die mensen echter direct genoegen nemen met het eerste wat ze horen. Stel dat iemand op vakantie in een straat komt met tien kroegen en hij gaat de eerste kroeg binnen en heeft daar een ontzettend gezellige avond; de kans bestaat dat die persoon vervolgens de gehele vakantie iedere keer naar diezelfde kroeg gaat en hij zijn beslissing kan verdedigen met de dooddoener ‘maar ik heb het daar toch gezellig?’ Het punt is niet dat hij het niet gezellig mag hebben, maar dat er altijd de mogelijkheid bestaat dat hij een van die andere negen kroegen nog veel gezelliger vindt. En dat is mijn punt: wat is er in hemelsnaam op tegen om al die andere kroegen ook te proberen om vervolgens een weloverwogen keuze te kunnen maken? Want er is geen wet die zegt dat hij uiteindelijk niet alsnog naar die eerste kroeg kan gaan omdat hij het daar uiteindelijk het meest naar zijn zin heeft. Maar dat kun je alleen weten als je weet wat die andere kroegen voor ervaringen bieden. Dat is precies waarom ik zeg dat tevredenheid een gevaarlijke emotie is, omdat het impliceert dat iemand gestopt is met zoeken of open staan. En ik wil echt niet zeggen dat iemand constant, altijd en overal actief op zoek moet naar nieuwe ervaringen, want ritme en een bepaalde kern waar je op terug kunt vallen is juist noodzakelijk. Het gaat zoals altijd om een balans: aan de ene kant datgene wat je hebt koesteren, maar tegelijkertijd jezelf nooit afsluiten voor nieuwe ervaringen en die balans is wat bijvoorbeeld LSD zo goed mogelijk maakt. Daarom stel ik dat de enige reden dat veel mensen top 40 muziek mooi vinden is dat het zo ongeveer de enige muziek is die ze kennen omdat ze nooit echt een poging hebben gedaan zich te verdiepen in andere stromingen. Als iemand zich eerst uitgebreid georiënteerd heeft in de muziekwereld en uiteindelijk besluit dat top 40 het beste bij hem past, dan heb ik daar volledig vrede mee omdat het dan een beslissing is gebaseerd op ervaring en kennis. Iedereen mag alles mooi vinden van me, zolang er maar een zeker bewustzijn achter schuilt in plaats van een soort maatschappelijke indoctrinatie. 

Met het aspect van maatschappelijke indoctrinatie komen we bij de kern van de zaak, omdat onze gehele maatschappij doordrenkt is van hokjes, grenzen en monolithische kernen – allemaal zaken die ‘Nine ½ Weeks’ constant probeert te verbrijzelen. Neem nu bijvoorbeeld de grens van wat ik nu even kritische smaak zal noemen. ‘Nine ½ Weeks’ is bij uitstek een film waar vrijwel iedere ‘serieuze’ criticus zijn neus voor zal ophalen, iets wat ook veelvuldig gebeurd is. Het simpele feit is helaas dat enkel dat dit een seksfilm is voor veel mensen genoeg is om direct te stoppen met iedere vorm van serieuze overweging, omdat het genre als geheel geen enkele kritische reputatie heeft. Laatst werd het blu-ray project van Radley Metzger’s ‘The Opening Of Misty Beethoven’ nog zonder pardoes van de Kickstarter site af gegooid, omdat het porno betrof en dat terwijl deze film zonder twijfel de kritische meest gewaardeerde pornofilm ooit is. Het doet je beseffen hoe relatief een term als ‘kritisch gewaardeerde pornofilm’ is en hoe zeer mensen nog steeds volledig vast zitten in hokjes denken. Het aantal Zijn er erotische of pornofilms dat echt is doorgedrongen tot de kritische canon is praktisch op een hand te tellen, omdat het onderscheid tussen hoge en lage kunst nog steeds constant wordt gemaakt waarbij mensen het hoge segment ook als kritisch waardevoller zien. Het zou eens tijd wordt dat mensen inzien dat de termen hoog en laag in kunst direct overeen komen met het menselijke lichaam, waarbij hoog dus geassocieerd wordt met de hersenen en laag met het gedeelte onder de navel. Of kort gezegd, het verschil tussen mentale en fysieke activiteit. Ik vind het ronduit merkwaardig dat mensen het één echt beter dan het andere kunnen noemen, terwijl het enkel compleet verschillende sensaties zijn die allebei even belangrijk zijn. Het is juist de combinatie van beiden die het leven zo fascinerend maken, maar die combinatie lijken zo weinig mensen te kunnen maken omdat mensen niet in staat zijn om die grenzen te doorbreken. En dat is dus waar ‘Nine ½ Weeks’ zo goed in slaagt: het is een briljante combinatie van de ambiguïteit van de Europese artcinema en de levendige vulgariteit van Hollywood en de grote kracht van de film schuilt hem juist in het feit dat de film volledig weigert om zich te conformeren aan een concept als ‘goede smaak’. Nu zou ik natuurlijk Pablo Picasso’s beroemde lijfspreuk “the chief enemy of creativity is ‘good taste’” er bij kunnen slepen, maar ik zou niet ervan beschuldigd willen worden dat ik het culturele cachet van iets als ‘Nine ½ Weeks’ zou willen opwaarderen door het te linken aan hoge modernistische kunst. Het is ook helemaal niet nodig gelukkig, omdat we enkel hoeven te beseffen dat ‘goede smaak’ niets meer en minder is dan een concept en een constructie, dat helaas door veel mensen net als concepten als ‘respect’ of ‘omgangsvormen’ gebruikt wordt als afweermechanisme. Mensen gebruiken dergelijke constructies om vooral niet in conclaaf te moeten gaan met zaken die ze vervelend vinden omdat het ze confronteert met zaken in zichzelf die ze mogelijk vervelend vinden. Ik maak dagelijks mee dat mensen zich verschuilen achter dergelijke concepten puur en alleen om te voorkomen dat er echt de waarheid gesproken wordt en mensen vinden ‘beleefde’ communicatie prettiger dan echte communicatie omdat het voorkomt dat ze wellicht echt naar zichzelf zouden moeten kijken. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat ik er bijvoorbeeld op aan wordt gekeken als ik de waarheid in iemands gezicht zeg en dat exact diezelfde mensen het volstrekt normaal vinden dat ze wel achter iemands rug om staan te roddelen. Mensen beroepen zich dan op termen als ‘beleefdheid’ en ‘respect’ terwijl ze in werkelijkheid die concepten volledig uithollen omdat ze enkel als synoniem gebruikt worden voor ‘gemak’ en ‘angst voor echt contact tussen mensen’. Met andere woorden: mensen trekken zich constant terug in hun eigen persoonlijke wereld zonder echt in contact te treden met andere individuen. En misschien is echt contact met een andere persoon wel een technische onmogelijkheid en misschien zijn we allemaal wel geboren in onze eigen persoonlijke gevangenissen zoals Norman Bates zegt in ‘Psycho’, maar als we niet proberen om uit die gevangenissen te komen, dan is het leven per definitie minder waard. Het is misschien gemakkelijker om te blijven zitten waar je zit, maar het leidt ook tot volledige apathie.

Deze twee aspecten van zintuiglijke waarneming en het doorbreken van grenzen komen zo sterk terug in ‘Nine ½ Weeks’ dat het praktisch meer een LSD film is dan films die dat etiket meestal opgeplakt krijgen. Want films als Corman’s ‘The Trip’ of Preminger’s ‘Skidoo’ zeggen feitelijk helemaal niets over de echte invloed van LSD en komen niet verder dan prijzenswaardige maar verder ook niet zeer geslaagde pogingen om een trip te visualiseren (wat per definitie een onmogelijkheid is). Ik wil zeker niet impliceren dat ‘Nine ½ Weeks’ echt een LSD film is in de zin dat de makers de drug willen promoten – het zou zelfs goed kunnen zijn dat niemand die betrokken was bij de film het ooit geprobeerd heeft. Daarbij is het wellicht goed om te vermelden dat de inzichten die uit LSD gehaald kunnen worden geenszins het alleenrecht van de drug zijn; er zijn zoals altijd meerdere wegen die naar Rome leiden. Maar de mise-en-scène van Adrian Lyne in deze film is waarschijnlijk – naast de films van Stan Brakhage – het dichtst wat ik een film ooit heb zien komen bij de wijze waarop je de wereld ervaart op LSD. Het sensuele kleurgebruik, de camera die praktisch altijd op de huid van de acteurs zit en het veelvuldig gebruik van extreme backlighting hebben allemaal het effect om de afstand tussen kijker en de film zo klein en dus zo rechtstreeks mogelijk te maken. Daarnaast is er een ongewoon sterke nadruk op zintuiglijke waarneming dankzij de stijlvolle omgevingen en objecten, het veelvuldig gebruik van zaken als regen en mist en bovenal in de zeer prominente rol die eten en andere vormen van zintuiglijke waarneming in de film spelen. Er is de laatste tijd natuurlijk weer zoveel interesse in 3D films, waarbij men probeert om een derde dimensie aan het beeld toe te voegen, maar wat mij betreft slaagt ‘Nine ½ Weeks’ daar veel beter in dan de meeste films ondanks dat het technisch een 2D film is en het is interessant om te bedenken dat de film gemaakt is precies na de korte 3D rage van de jaren ’80. Het is zo’n tactiele film dat je bijna kunt zeggen dat er een 3e dimensie aan de film is toegevoegd die zelfs meer toegevoegde waarde heeft dan veel recente 3D films. Het resultaat is een hyperesthetisch effect waarbij alles in het werk gesteld is om de zintuiglijke waarneming naar voren te schuiven, zowel bij de personages als de kijker. Waar ‘Mommie Dearest’ in de woorden van John Waters ‘a whole movie about eyebrows’ is, daar is ‘Nine ½ Weeks’ een hele film over zintuiglijke waarneming. Het klinkt wat abstract wellicht, maar de film zelf is dat ook en ik vraag me oprecht af hoe zo’n abstracte film ooit zo’n grote hit heeft kunnen zijn bij het grote publiek omdat ik me afvraag wat de meeste mensen dan in deze film gezien hebben.

Nadat ik de film ‘Nine ½ Weeks’ aan vrienden had laten zien, vroeg iemand zich bijvoorbeeld na afloop enigszins vertwijfeld waar de film nu feitelijk over ging of wat het allemaal wilde zeggen. Het was een reactie die zowel verrassend als verhelderend voor me was; verrassend omdat ik mezelf niet gerealiseerd had dat dit überhaupt een vraagstuk kon zijn, daar ik instinctief de film vanaf het eerste moment had aangevoeld en verhelderend omdat deze reactie me weer eens deed beseffen hoe veel iedere persoon zelf naar een film toebrengt of juist niet. Als je nuchter tegen de film aan kijkt, is het ook een vrij enigmatische aangelegenheid, want nergens maken de kijkers exact duidelijk wat de boodschap van de film is of wat men wilt dat een kijker er uit haalt. Van een verhaal is nauwelijks sprake en de karakters worden nergens echt uitgewerkt of volledig gemotiveerd; de titel geeft weinig houvast,  van een verhelderende dialoog op het einde die precies de boodschap van de film meegeeft is al helemaal geen sprake en het heeft een volstrekt open einde. Dus waar gaat de film dan over? In het kort gezegd is dat het doorbreken van grenzen. Precies het openstellen voor nieuwe ervaringen en verkennen van nieuwe paden waar ik eerder over sprak en de vloeibaarheid die ontstaat op LSD. Het dichtst wat de film komt bij een articulatie van de ‘boodschap’ is een moment aan het begin van de film: het Kim Basinger personage is net met Mickey Rourke meegegaan naar diens afgelegen optrekje ondanks dat ze elkaar helemaal niet kennen. Rourke maakt dan een suggestieve opmerking dat er best wel wat gevaar schuilt in haar beslissing om mee te gaan, omdat ze hem totaal niet kent en hij net zo goed een psychopathische moordenaar kan zijn en ze volstrekt hulpeloos is in die situatie. Deze opmerking suggereert ten eerste dat de film zich wellicht zal gaan ontwikkelen als een psychopathische seksthriller a la ‘Fatal Attraction’ of ‘Basic Instinct’, een suggestie waar de film herhaaldelijk op blijft hinten zonder er ooit echt iets mee te doen. Maar belangrijker nog is dat de film met deze opmerking tussen neus en lippen zichzelf volledig blootgeeft, omdat het duidelijk maakt dat de levensvisie van de film gebaseerd is op een ‘no pain, no gain’ principe: als Basinger echt ‘verstandig’ was geweest had ze niet met hem meegegaan, omdat willekeurig rondrennen met vreemdelingen risico’s met zich meedraagt, maar tegelijkertijd had ze dan wel de deur dichtgedaan richting een ervaring die mogelijk haar leven zal veranderen. Het is kenmerkend voor de film dat het wel zegt wat het wilt zeggen, maar dat doet op een bijna onmerkbare wijze – het is typisch een moment waar het grootste gedeelte van het publiek verder weinig in zal lezen, terwijl het toch een complete levensvisie in zich draagt. Het is in dat opzicht een van de ultieme Termite Art werken, als we het in de terminologie van Manny Farber willen persen.

Of neem bijvoorbeeld die scene in het restaurant in het begin van de film als Rourke en Basinger elkaar net ontmoet hebben. Het is voor mij een van de meest magische sequenties die ik ken en als je enkel twee mensen in een restaurant ziet die met elkaar aan het praten zijn, dan is er vermoedelijk weinig wat ik kan zeggen om je te overtuigen. Maar er zit een waanzinnig gevoel van doorleefdheid en zintuiglijke sensatie in die scene, dankzij de sterke nadruk op eten en de intimiteit, dat ik zou willen zeggen dat er meer oprecht gevoel in deze ene scene zit dan bijvoorbeeld in heel ‘Citizen Kane’ bij elkaar. Het is een moment die me, net als LSD, volledig verliefd maakt op de geneugten van het leven en me blij maken dat ik op deze aarde mag rondwandelen, een gevoel wat zo prachtig verwoord wordt in het orgastische moment in ‘Some Misunderstanding’ als Gene Clark zingt “But, doesn't it feel good to stay alive?” Maar de dialoog brengt nog een andere dimensie naar de scene, die net zoals alles in de film, niet rechtstreeks gearticuleerd wordt maar wel degelijk aanwezig is en dat is een vrij stevige nadruk op vergankelijkheid. Terwijl Basinger aan het eten is, vertelt Rourke de geschiedenis van het restaurant en hoe er mensen gestorven zijn precies in de stoel waar Basinger zit terwijl ze aan het eten waren. Het effect is tweeledig: aan de ene kant geeft het wederom de indruk dat Rourke wellicht een psychopaat is, een suggestie die zoals ik eerder meldde herhaaldelijk terug blijft keren in de film zonder dat het echt ontwikkeld wordt. Maar het is juist cruciaal dat het aanwezig is, omdat het het afweermechanisme van Basinger enkel groter zou moeten maken: mensen hebben altijd de neiging om alle nieuwe invloeden buiten de deur te houden, maar al helemaal als deze invloeden wellicht iets vreemder of minder toegankelijk zijn en dat is precies waarom constant de suggestie gewekt wordt dat Rourke een wat louche figuur is – juist omdat Basinger hiermee nog meer haar ‘natuurlijke’ grenzen moet zien te overwinnen. Jezelf volledig overgeven aan een andere persoon is van zichzelf al moeilijk, maar als al je verstandelijke capaciteit zegt dat je het niet moet doen, maar je instinctief het wel wilt doen, dan moet je het uiteindelijk wel proberen omdat anders je hele leven een opeenstapeling is van gemiste kansen en halfbakken beslissingen.

Daarnaast echter is het vermengen van de bron van leven (eten) en de dood in de dialoog van Rourke cruciaal omdat het de rol van cyclussen in het leven zo duidelijk maakt en het effect is niet eens zozeer verschillend van de barokke extremen van Peter Greenaway’s ‘The Cook, The Thief, His Wife and Her Lover’. ‘Nine ½ Weeks’ maakt duidelijk dat het leven altijd gebouwd is op zichzelf constant herhalende cycli en dat het bang zijn of ontkennen van de sterfelijkheid van mensen net zo problematisch is als het constant blijven vastklampen aan zaken die je los zou moeten laten. Dat wil echt niet zeggen dat mensen hun leven moet laten regeren door morbide doodsdriften, verre van. Maar het erkennen van de schoonheden van het leven en zintuiglijke waarneming, betekent ook het erkennen van de ultieme ontkenning daarvan: de dood. Dit komt prachtig terug in de ontroerende scene waarin Basinger de schilder opzoekt in zijn bosrijke omgeving; de man zit enkel wat voor zich uit te staren, in een bijna klassieke Rousseau-iaanse vermenging van mens en natuur. Hij lijkt zich nauwelijks nog te beseffen wat er om hem heen gebeurt, maar straalt tegelijkertijd wel een imposante sereniteit uit alsof hij in alle rust zit te wachten op de dood. Later ziet de schilder er uit als een vis op het droge in de galerij als hij omgeven is daar pretentieuze figuren en de film wijst hiermee duidelijk op de problematiek van maatschappelijke conventies en dat het wellicht te prefereren is om hiermee te breken. Dit komt ook sterk terug in de hilarische sequentie als Rourke en Basinger een bed gaan kopen en zichzelf gedragen op een manier die niet bepaald maatschappelijk geaccepteerd is, dit tot enige consternatie van de verkoper. De scene wordt duidelijk op humor gespeeld, maar maakt tegelijkertijd wel duidelijk dat maatschappelijke conventies vaak enkel verstikkend zijn en de bewegingsruimte beperken. 

Maar de dood is natuurlijk de meest extreme verandering en het leven zit gelukkig ook vol met minder extreme veranderingen waar we in principe op dezelfde wijze mee om moeten gaan: zonder zelfdeceptie. Enkel als we de onafwendbaarheid van verandering accepteren, zijn we ook in staat om de risico’s te nemen waar ik het altijd de gehele tijd over gehad heb en kunnen we de benodigde flexibiliteit bereiken. Dit is duidelijk ook de functie van de ex-man van Basinger die we nooit echt zien, maar waar herhaaldelijk naar verwezen wordt in de dialoog. De situatie is zo dat een collega op het werk van Basinger met haar ex wil uitgaan, wat logischerwijs tot mogelijke problemen zou kunnen leiden vanwege jaloersheid. Maar het is natuurlijk de gehele essentie van de film dat Basinger mentaal afscheid moet nemen van haar ex en niet alleen zelf verder moet met haar leven, maar ook haar ex die ruimte moet geven. Het leven is in constante flux en enkel als we deze vloeibaarheid accepteren kunnen we tot een zinvolle en rijke relatie met dat leven komen.

Het is overigens zeker niet zo dat ‘Nine ½ Weeks’ blind is voor de mogelijke problemen die een leven in flux met zich kan meebrengen en dat de zintuiglijke waarnemingen en ervaringen enkel als een paradijs op aarde gepresenteerd worden. Het grote gevaar van flexibiliteit is natuurlijk dat je iedere vorm van vastheid verliest en als een logeslagen schip gaat ronddobberen op de zee. Dit is exact wat er gebeurt op het einde van de film als Basinger volledig flipt na het mislukte trio en ze volledig verward een wildvreemde man begint te zoenen in een sekstent. Adrian Lyne maakt Basinger’s verwardheid en desoriëntatie prachtig duidelijk met een zeer hectische en gefragmenteerde montage, de enige keer dat het op die manier in de film gebruikt wordt. Wat hiermee duidelijk wordt is niet alleen de mogelijke gevaren van de levensvisie die in de film gepromoot wordt, maar ook de noodzaak van balans en het opzoeken van je persoonlijke grenzen. Want niet iedereen heeft dezelfde grenzen omdat niet ieders (boven)kamer even groot is en er is altijd het risico dat je de weg kwijt raakt of je hoofd tegen de muur stoot. Het zijn geen prettige ervaringen, maar niemand heeft ooit gezegd dat het leven alleen maar prettig of gemakkelijk is en je kunt niets anders doen dan lering trekken uit dergelijke ervaringen. Ik ben zelf ooit vastgebonden wakker geworden in een ziekenhuis in een vreemd land na een bijna fatale overdosis van whisky en XTC en dat was nou niet bepaald mijn ideaal van gezellig wakker worden. Maar het is niet iets waar ik me voor schaam of zelfs maar spijt van heb. Het is gebeurd en het was destijds wel een zeer helder signaal om mijn leven radicaal om te gooien. En dat is precies wat Basinger zal moeten bepalen op het einde van de film: vindt ze de weg die ze ingeslagen is de moeite waard en gaat ze deze verder onderzoeken, of is haar tijdelijke breakdown een signaal om een compleet andere weg in te slaan? Het is een beslissing die alleen de kijker zelf kan maken en dat is ook de reden waarom de film zo’n open einde heeft: sowieso zou een gesloten einde afbreuk doen aan het constante gevoel van flux wat de film zo sterk naar voor brengt, maar het is ook niet iets wat de makers de kijker kunnen voorkauwen. Ze hebben een zeer specifiek en sensueel voorbeeld gegeven van hoe het leven écht geleefd kan worden en het is aan de kijker om zelf in te vullen hoe de film moet eindigen door het zelf in de praktijk te brengen.

Of zoals Dean Martin het verwoordt in de song ‘Get on With Your Livin’’:

Get on with your livin' and I'll get on with mine
No one promised you sunshine all of the time
Get on with your livin' and I'll get on with mine
No one listens to losers, wipes those tears away
Cause it's one step forward and two steps back most of the time
No one said it was easy, a life’s no fun without rain
 

Labels: